BWBR0002869
Geldig vanaf 1973-03-14
Artikel 1
Eindexamenbesluit m.h.n.o.
Dit besluit verstaat onder:
"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen;
"de inspecteur": de inspecteur van het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op de school;
"school": een dagschool voor huishoud- en nijverheidsonderwijs voor zover daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven;
"het bevoegd gezag": voor wat betreft
a. een rijksschool: Onze minister;
b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt met inachtneming van door hem te stellen regelen;
c. een bijzondere school: het schoolbestuur;
"de gecommitteerde": de gecommitteerde of de gecommitteerden in de zin van artikel 29, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op het eindexamen;
"kandidaat": een ieder die door het bevoegd gezag tot het eindexamen wordt toegelaten;
"het diploma": het diploma, bedoeld in artikel 29, vierde lid onder e, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen;
"de inspecteur": de inspecteur van het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op de school;
"school": een dagschool voor huishoud- en nijverheidsonderwijs voor zover daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven;
"het bevoegd gezag": voor wat betreft
a. een rijksschool: Onze minister;
b. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt met inachtneming van door hem te stellen regelen;
c. een bijzondere school: het schoolbestuur;
"de gecommitteerde": de gecommitteerde of de gecommitteerden in de zin van artikel 29, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op het eindexamen;
"kandidaat": een ieder die door het bevoegd gezag tot het eindexamen wordt toegelaten;
"het diploma": het diploma, bedoeld in artikel 29, vierde lid onder e, van de Wet op het voortgezet onderwijs.