BWBR0002667
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 41
Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
1. Het in artikel 15, onder a, van de wetvervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen, indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstof of erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde; of
b. de activiteitsconcentratie van die stof of dat erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
a. splijtstoffen of ertsen worden toegediend aan personen en, voorzover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor: 1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
3°. het toevoegen van splijtstoffen of ertsen aan consumentenproducten.
1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
3°. het toevoegen van splijtstoffen of ertsen aan consumentenproducten.
3. Het bij of krachtens artikel 3.17, tweede, derde en zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbeschermingbepaalde is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
5. Het in artikel 15, onder a, van de wetvervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
6. In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, is een registratieplicht van toepassing. Artikel 3.9 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbeschermingis van overeenkomstige toepassing.
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstof of erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde; of
b. de activiteitsconcentratie van die stof of dat erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
a. splijtstoffen of ertsen worden toegediend aan personen en, voorzover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor: 1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
3°. het toevoegen van splijtstoffen of ertsen aan consumentenproducten.
1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
3°. het toevoegen van splijtstoffen of ertsen aan consumentenproducten.
3. Het bij of krachtens artikel 3.17, tweede, derde en zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbeschermingbepaalde is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
5. Het in artikel 15, onder a, van de wetvervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
6. In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, is een registratieplicht van toepassing. Artikel 3.9 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbeschermingis van overeenkomstige toepassing.