BWBR0002667
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 22j
Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
1. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wetbeschikt over een beveiligingsplan met een beschrijving van de wijze waarop het categorie I-, II- of III-materiaal wordt beveiligd. De eerste volzin geldt niet indien de vergunninghouder tevens houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet is en voor de desbetreffende inrichting voldaan wordt aan paragraaf 3.
2. Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
a. de aanwijzing van een vakbekwame beveiligingsverantwoordelijke en diens plaatsvervanger,
b. de indeling van de te beveiligen splijtstoffen in categorie I-, II- of III-materiaal;
c. de manier waarop en de plaats waar het categorie I-, II- of III- materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;
d. de getroffen en te treffen beveiligingsmaatregelen;
e. de organisatie van de beveiliging en het toezicht, waaronder taken en bevoegdheden, de te volgen procedures in geval van diefstal of sabotage van het categorie I-, II- of III- materiaal of een poging daartoe en afspraken met de politie of een particuliere beveiligingsdienst;
f. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.
3. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wethandelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.
4. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wetdraagt er zorg voor dat van het beveiligingsplan alleen personen kennis kunnen nemen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie en dat deze personen voorafgaand aan het kennisnemen een verklaring omtrent het gedrag of een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wetveiligheidsonderzoeken overleggen.
5. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wetvoert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma uit. Daarbij worden in ieder geval de beveiligingsmaatregelen gecontroleerd en getest en wordt het beveiligingsplan in een oefening toegepast. De vergunninghouder wijzigt het beveiligingsplan voor zover de resultaten van het evaluatieprogramma daartoe aanleiding geven.
6. Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van artikel 22ien het eerste tot en met vijfde lid, waaronder in elk geval het beveiligingsplan en de beveiligingsmaatregelen.
2. Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
a. de aanwijzing van een vakbekwame beveiligingsverantwoordelijke en diens plaatsvervanger,
b. de indeling van de te beveiligen splijtstoffen in categorie I-, II- of III-materiaal;
c. de manier waarop en de plaats waar het categorie I-, II- of III- materiaal wordt gebruikt of opgeslagen;
d. de getroffen en te treffen beveiligingsmaatregelen;
e. de organisatie van de beveiliging en het toezicht, waaronder taken en bevoegdheden, de te volgen procedures in geval van diefstal of sabotage van het categorie I-, II- of III- materiaal of een poging daartoe en afspraken met de politie of een particuliere beveiligingsdienst;
f. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.
3. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wethandelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.
4. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wetdraagt er zorg voor dat van het beveiligingsplan alleen personen kennis kunnen nemen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie en dat deze personen voorafgaand aan het kennisnemen een verklaring omtrent het gedrag of een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wetveiligheidsonderzoeken overleggen.
5. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wetvoert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma uit. Daarbij worden in ieder geval de beveiligingsmaatregelen gecontroleerd en getest en wordt het beveiligingsplan in een oefening toegepast. De vergunninghouder wijzigt het beveiligingsplan voor zover de resultaten van het evaluatieprogramma daartoe aanleiding geven.
6. Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van artikel 22ien het eerste tot en met vijfde lid, waaronder in elk geval het beveiligingsplan en de beveiligingsmaatregelen.