BWBR0002667
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 22
Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
1. Een referentiedreiging of wijziging daarvan wordt door Onze Minister vastgesteld.
2. Een referentiedreiging wordt na vaststelling medegedeeld aan de houders van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.
3. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet:
a. treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de inrichting of de in bijlage 1 genoemde splijtstoffen of ertsen, die krachtens het zevende of achtste lid zijn aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging. Daarbij handelt de vergunninghouder overeenkomstig het goedgekeurde beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a;
b. treft in ieder geval de beveiligingsmaatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de in bijlage 2 genoemde maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht, bepaald overeenkomstig die bijlage, of de maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lid van de bevolking of een werknemer als bedoeld in artikel 1.2 juncto bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, bepaald overeenkomstig bijlage 2 van dit besluit, worden overschreden.
4. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, stemt de combinatie en het niveau van de beveiligingsmaatregelen af op:
1°. de aard van het materiaal, bedoeld in het derde lid, onder a, en de inrichting, en
2°. de omvang van de mogelijke gevolgen door blootstelling aan straling van mensen, dieren, planten en goederen in het geval van diefstal of sabotage van categorie I-, II- of III-materiaal of sabotage van de inrichting.
5. De beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen worden door de houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, zodanig ontworpen en uitgevoerd dat deze elkaar complementeren en niet belemmeren. Hij treft zodanige maatregelen dat het ontstaan van mogelijke conflicten tussen de beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen zoveel mogelijk wordt tegengegaan of, waar deze conflicten zich toch zouden voordoen, deze zo spoedig mogelijk worden opgeheven.
6. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, treft de organisatorische, bouwkundige, elektronische en informatiebeveiligingsmaatregelen die in samenhang ten minste weerstand bieden tegen de dreigingen uit de referentiedreiging en die zorgdragen voor een tijdige respons.
7. Bij verordening van de Autoriteit worden met het oog op de te treffen beveiligingsmaatregelen de in bijlage 1genoemde splijtstoffen of ertsen aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, overeenkomstig de Table of Categorization of nuclear material behorend bij de Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities.
8. De Autoriteit kan, in afwijking van de aanwijzing, bedoeld in het zevende lid, overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in de Table of Categorization of nuclear material, bij verordening of besluit het daarbij aangewezen materiaal indelen in een andere categorie.
9. Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het derde tot en met zesde lid.
2. Een referentiedreiging wordt na vaststelling medegedeeld aan de houders van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.
3. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet:
a. treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de inrichting of de in bijlage 1 genoemde splijtstoffen of ertsen, die krachtens het zevende of achtste lid zijn aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging. Daarbij handelt de vergunninghouder overeenkomstig het goedgekeurde beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a;
b. treft in ieder geval de beveiligingsmaatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de in bijlage 2 genoemde maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht, bepaald overeenkomstig die bijlage, of de maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lid van de bevolking of een werknemer als bedoeld in artikel 1.2 juncto bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, bepaald overeenkomstig bijlage 2 van dit besluit, worden overschreden.
4. De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, stemt de combinatie en het niveau van de beveiligingsmaatregelen af op:
1°. de aard van het materiaal, bedoeld in het derde lid, onder a, en de inrichting, en
2°. de omvang van de mogelijke gevolgen door blootstelling aan straling van mensen, dieren, planten en goederen in het geval van diefstal of sabotage van categorie I-, II- of III-materiaal of sabotage van de inrichting.
5. De beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen worden door de houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, zodanig ontworpen en uitgevoerd dat deze elkaar complementeren en niet belemmeren. Hij treft zodanige maatregelen dat het ontstaan van mogelijke conflicten tussen de beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen zoveel mogelijk wordt tegengegaan of, waar deze conflicten zich toch zouden voordoen, deze zo spoedig mogelijk worden opgeheven.
6. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, treft de organisatorische, bouwkundige, elektronische en informatiebeveiligingsmaatregelen die in samenhang ten minste weerstand bieden tegen de dreigingen uit de referentiedreiging en die zorgdragen voor een tijdige respons.
7. Bij verordening van de Autoriteit worden met het oog op de te treffen beveiligingsmaatregelen de in bijlage 1genoemde splijtstoffen of ertsen aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, overeenkomstig de Table of Categorization of nuclear material behorend bij de Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities.
8. De Autoriteit kan, in afwijking van de aanwijzing, bedoeld in het zevende lid, overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in de Table of Categorization of nuclear material, bij verordening of besluit het daarbij aangewezen materiaal indelen in een andere categorie.
9. Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het derde tot en met zesde lid.