BWBR0002576
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 3
Dagloonregelen W.A.O.
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:
a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering, die het karakter heeft van een 13e maandloon of eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon, dat over bedoelde dagen is genoten;
b. de dagen, waarop hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, die tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van toepassing.
3. Voor de vaststelling van de periode van een jaar, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden niet in aanmerking genomen.
a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering, die het karakter heeft van een 13e maandloon of eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon, dat over bedoelde dagen is genoten;
b. de dagen, waarop hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, die tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van toepassing.
3. Voor de vaststelling van de periode van een jaar, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden niet in aanmerking genomen.