BWBR0002576
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 11
Dagloonregelen W.A.O.
1. Indien de uitkeringsgerechtigde op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt, terwijl hij, ware hij niet arbeidsongeschikt, met ingang van een daarna gelegen dag krachtens een regeling, zoals deze op eerstbedoelde dag luidde, aanspraak zou hebben gehad op een hoger loon op grond van zijn leeftijd, wordt met ingang van laatstbedoelde dag dat hogere loon aan zijn dagloon ten grondslag gelegd.
2. Telkens alvorens het dagloon in verband met de leeftijd ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt herzien vindt ten aanzien van dit dagloon het bepaalde bij of krachtens, dan wel met betrekking tot de toepassing van, artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringovereenkomstige toepassing, alsof bedoeld dagloon was vastgesteld op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3. Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing tot dat het loon, waarop de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, bij het bereiken van de leeftijd van 25 jaar aanspraak zou hebben gehad volgens de in het eerste lid bedoelde regeling, aan zijn dagloon ten grondslag ligt.
2. Telkens alvorens het dagloon in verband met de leeftijd ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt herzien vindt ten aanzien van dit dagloon het bepaalde bij of krachtens, dan wel met betrekking tot de toepassing van, artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringovereenkomstige toepassing, alsof bedoeld dagloon was vastgesteld op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3. Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing tot dat het loon, waarop de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, bij het bereiken van de leeftijd van 25 jaar aanspraak zou hebben gehad volgens de in het eerste lid bedoelde regeling, aan zijn dagloon ten grondslag ligt.