BWBR0002576
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 4
Dagloonregelen W.A.O.
1. Indien een of meer uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, tot het normale regelmatig verstrekte loon behoorden, of – als de uitkeringsgerechtigde niet arbeidsongeschikt was geworden – daartoe zouden hebben behoord, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge het vorige artikelter zake van elk dier uitkeringen verhoogd op de wijze, in de volgende leden bepaald.
2. Indien een uitkeringsgerechtigde in een periode van 3 jaren aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande een dergelijke uitkering genoot:
a. in elk van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/783 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 3 jaren;
b. in 2 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/522 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 2 jaren;
c. in 1 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/261 van het bedrag der uitkeringen in dat jaar.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde een dergelijke uitkering niet heeft genoten in de periode van 3 jaren bedoeld in het vorige lid, doch wel heeft genoten, dan wel – als hij niet arbeidsongeschikt was geworden – zou hebben genoten in het jaar aan de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande, wordt de verhoging vastgesteld op 1/261 van het bedrag van de uitkering die hij in dat jaar heeft, dan wel zou hebben genoten.
2. Indien een uitkeringsgerechtigde in een periode van 3 jaren aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande een dergelijke uitkering genoot:
a. in elk van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/783 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 3 jaren;
b. in 2 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/522 van de som van het bedrag der uitkeringen in die 2 jaren;
c. in 1 van die 3 jaren, bedraagt de verhoging 1/261 van het bedrag der uitkeringen in dat jaar.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde een dergelijke uitkering niet heeft genoten in de periode van 3 jaren bedoeld in het vorige lid, doch wel heeft genoten, dan wel – als hij niet arbeidsongeschikt was geworden – zou hebben genoten in het jaar aan de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande, wordt de verhoging vastgesteld op 1/261 van het bedrag van de uitkering die hij in dat jaar heeft, dan wel zou hebben genoten.