BWBR0002576
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 6
Dagloonregelen W.A.O.
1. Indien het op grond van artikel 3berekende aantal dagen minder bedraagt dan 65 wordt voor de toepassing van de artikelen 3en 5het in artikel 3bedoelde jaar verlengd met een zodanige periode dat:
a. indien artikel 3, eerste lid, van toepassing is, een zodanig aantal volledige salarisbetalingsperioden wordt bereikt dat het aantal in aanmerking te nemen dagen ten minste 65 bedraagt;
b. indien artikel 3, tweede lid, van toepassing is, het aantal van 65 dagen wordt bereikt;
doch met ten hoogste een jaar.
2. Indien ook na verlenging met een jaar het aantal van 65 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in het jaar, aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, 4en 5zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en zij op dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt waren geworden.
3. Indien ook na verlenging met een jaar het aantal van 65 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in het jaar, aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, 4en 5zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en zij op dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt waren geworden.
4. In afwijking van het bepaalde in de vorige leden wordt voor de uitkeringsgerechtigde op wie het bepaalde bij en krachtens artikel 17, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringvan toepassing is, en het ingevolge artikel 3berekende aantal dagen minder bedraagt dan 65, voor de toepassing van de artikelen 3en 5het in artikel 3bedoelde jaar verlengd met een zodanige periode, dat het aantal van 65 dagen wordt bereikt.
5. Indien de werknemer tariefverdiensten heeft genoten die, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn en de uitkomst van de berekening overeenkomstig artikel 3of de vorige leden, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in de artikelen 3en 4en in de vorige leden van dit artikel, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, welke zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
a. indien artikel 3, eerste lid, van toepassing is, een zodanig aantal volledige salarisbetalingsperioden wordt bereikt dat het aantal in aanmerking te nemen dagen ten minste 65 bedraagt;
b. indien artikel 3, tweede lid, van toepassing is, het aantal van 65 dagen wordt bereikt;
doch met ten hoogste een jaar.
2. Indien ook na verlenging met een jaar het aantal van 65 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in het jaar, aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, 4en 5zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en zij op dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt waren geworden.
3. Indien ook na verlenging met een jaar het aantal van 65 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in het jaar, aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, 4en 5zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en zij op dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt waren geworden.
4. In afwijking van het bepaalde in de vorige leden wordt voor de uitkeringsgerechtigde op wie het bepaalde bij en krachtens artikel 17, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringvan toepassing is, en het ingevolge artikel 3berekende aantal dagen minder bedraagt dan 65, voor de toepassing van de artikelen 3en 5het in artikel 3bedoelde jaar verlengd met een zodanige periode, dat het aantal van 65 dagen wordt bereikt.
5. Indien de werknemer tariefverdiensten heeft genoten die, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn en de uitkomst van de berekening overeenkomstig artikel 3of de vorige leden, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in de artikelen 3en 4en in de vorige leden van dit artikel, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, welke zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.