BWBR0002526
Geldig vanaf 1966-06-01
Artikel 5
Reglement op de Raccordementen 1966
1. Voor raccordementstreinen waarmede reizigers worden vervoerd, is het gebruik van doorgaand zelfwerkend remwerk verplicht. Bij een grootste toegelaten snelheid van ten hoogste 15 km per uur moeten de remmen werken op ten minste de helft van het totale aantal assen. Bij een grootste toegelaten snelheid van 16 tot en met 30 km per uur moeten de remmen werken op ten minste driekwart van het totale aantal assen.
2. Voor raccordementstreinen waarmede geen reizigers worden vervoerd, is, indien de snelheid waarmee gereden wordt meer bedraagt dan 15 km per uur, het gebruik van doorgaand zelfwerkend remwerk verplicht en moeten de remmen werken op ten minste de helft van het totale aantal assen. Onze Minister kan onder nader te stellen voorwaarden afwijkingen toestaan.
3. De bestuurders stellen, met inachtneming van het in het eerste en tweede lid bepaalde, voorschriften vast betreffende de inrichting van het doorgaand zelfwerkend remwerk. Het remwerk moet zodanig zijn ingericht, dat de rem zowel op het krachtvoertuig als op elk ander voertuig, waarvan de assen moeten worden beremd, in werking kan worden gebracht. De voorschriften worden aan Onze Minister medegedeeld. Onze Minister kan nadere voorschriften geven.
4. De remmen van alle in voor reizigers bestemde raccordementstreinen aanwezige voertuigen die van doorgaand zelfwerkend remwerk zijn voorzien, moeten zich in dienstvaardige staat bevinden; kan hieraan in bijzondere gevallen voor een voertuig niet worden voldaan, dan moet de desbetreffende rem buiten werking worden gesteld.
5. Onze Minister geeft, bestuurders gehoord, voorschriften ten aanzien van de afstand waarbinnen raccordementstreinen tot stilstaan moeten kunnen worden gebracht.
2. Voor raccordementstreinen waarmede geen reizigers worden vervoerd, is, indien de snelheid waarmee gereden wordt meer bedraagt dan 15 km per uur, het gebruik van doorgaand zelfwerkend remwerk verplicht en moeten de remmen werken op ten minste de helft van het totale aantal assen. Onze Minister kan onder nader te stellen voorwaarden afwijkingen toestaan.
3. De bestuurders stellen, met inachtneming van het in het eerste en tweede lid bepaalde, voorschriften vast betreffende de inrichting van het doorgaand zelfwerkend remwerk. Het remwerk moet zodanig zijn ingericht, dat de rem zowel op het krachtvoertuig als op elk ander voertuig, waarvan de assen moeten worden beremd, in werking kan worden gebracht. De voorschriften worden aan Onze Minister medegedeeld. Onze Minister kan nadere voorschriften geven.
4. De remmen van alle in voor reizigers bestemde raccordementstreinen aanwezige voertuigen die van doorgaand zelfwerkend remwerk zijn voorzien, moeten zich in dienstvaardige staat bevinden; kan hieraan in bijzondere gevallen voor een voertuig niet worden voldaan, dan moet de desbetreffende rem buiten werking worden gesteld.
5. Onze Minister geeft, bestuurders gehoord, voorschriften ten aanzien van de afstand waarbinnen raccordementstreinen tot stilstaan moeten kunnen worden gebracht.