BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 2a
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. De Ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema’s of nota's, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen. De in het eerste volzin bedoelde plannen worden voorbereid door Onze Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen. Van het voornemen een plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad, ingesteld bij de <a href="/wet/BWBR0008279" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de VROM-raad</a>. In het plan wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt.
2. Op de voorbereiding van het plan is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht</a>van toepassing, met dien verstande dat:
a. daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid;
b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
c. de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf weken bedraagt.
3. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde termijn beloopt.
4. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal.
5. Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:15</a>naar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid.
6. Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit.
7. De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
8. Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het zevende lid ter inzage is gelegd.
2. Op de voorbereiding van het plan is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht</a>van toepassing, met dien verstande dat:
a. daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid;
b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
c. de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf weken bedraagt.
3. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde termijn beloopt.
4. Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal.
5. Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:15" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:15</a>naar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid.
6. Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit.
7. De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/3:12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
8. Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het zevende lid ter inzage is gelegd.