BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 45
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming of een voorlopige gebruiksregel, stellen burgemeester en wethouders overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald, in de vergunning een termijn na het verstrijken waarvan het werk of de werkzaamheid moet worden verwijderd of beëindigd of op andere wijze met het bestemmingsplan in overeenstemming moet worden gebracht. De termijn kan worden verlengd, indien en voor zover de duur van de voorlopige bestemming is verlengd.
2. Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te beëindigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan.
2. Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te beëindigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan.