BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 36k
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Onze Minister kan na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van regionale planologische maatregelen vordert, aan het algemeen bestuur aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan.
3. Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het algemeen bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscouranten daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4. Gedeputeerde staten kunnen na overleg met het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, de provinciale planologische commissie gehoord, dat algemeen bestuur verplichten binnen een door hen te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien.
5. Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met het algemeen bestuur, de provinciale planologische commissie gehoord, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
6. Van hun besluit, bedoeld in het vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, zenden gedeputeerde staten behalve aan het algemeen bestuur, afschriften aan de provinciale planologische commissie en aan Onze Minister. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid ter provinciale griffie, op de secretarie van het desbetreffende regionale openbaar lichaam en van de gemeenten op wier grondgebied het betrekking heeft ter inzage. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt door gedeputeerde staten tevens in de Staatscourantgeplaatst.
7. Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal structuurplan overgaat.
8. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
9. Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting, als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd.
10. In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36c tot en met 36fvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam.
11. Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal structuurplan.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van regionale planologische maatregelen vordert, aan het algemeen bestuur aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan.
3. Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het algemeen bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscouranten daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4. Gedeputeerde staten kunnen na overleg met het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, de provinciale planologische commissie gehoord, dat algemeen bestuur verplichten binnen een door hen te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien.
5. Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met het algemeen bestuur, de provinciale planologische commissie gehoord, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
6. Van hun besluit, bedoeld in het vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, zenden gedeputeerde staten behalve aan het algemeen bestuur, afschriften aan de provinciale planologische commissie en aan Onze Minister. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid ter provinciale griffie, op de secretarie van het desbetreffende regionale openbaar lichaam en van de gemeenten op wier grondgebied het betrekking heeft ter inzage. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt door gedeputeerde staten tevens in de Staatscourantgeplaatst.
7. Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal structuurplan overgaat.
8. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
9. Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting, als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd.
10. In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36c tot en met 36fvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam.
11. Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal structuurplan.