BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 31b
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van die openbare lichamen onherroepelijk vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 17, 19en 40, dan wel onherroepelijk is beslist de verlening van een bouw- of aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, dan wel ingevolge artikel 46, tweede lid, aan te houden, kunnen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten gedurende vier weken, ingaande daags nadat de vrijstelling, dan wel het besluit tot aanhouding onherroepelijk is geworden, een verzoek doen als bedoeld in artikel 31a. Burgemeester en wethouders kunnen vorenbedoeld verzoek ook tot gedeputeerde staten richten binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn wanneer ingevolge artikel 40een vrijstelling of ingevolge artikel 41een vergunning of andere beschikking is verleend.
2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, beslist Onze Minister omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, in geval artikel 40of artikel 41toepassing heeft gevonden op verzoek van Onze Minister.
2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, beslist Onze Minister omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, in geval artikel 40of artikel 41toepassing heeft gevonden op verzoek van Onze Minister.