BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 40
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen. In dat geval is artikel 19niet van toepassing. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten, onder vermelding van de redenen tot het verzoek, een beschrijving van het betrokken project en geven zij aan welke consequenties het project zal hebben voor het betreffende bestemmingsplan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het verzoek en de daarbij behorende stukken. Het verzoek geeft aan voor welk gebied het geldt en wordt vanaf het tijdstip van ontvangst voor dit gebied gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten het desbetreffend verzoek tot vrijstelling voor het betrokken project met daarbij behorende stukken. Zij doen hiervan gelijktijdig mededeling aan provinciale staten en Onze Minister door toezending van een afschrift van hun verzoek. Onze Minister heeft gelijke bevoegdheid. Hij doet gelijktijdig mededeling van zijn verzoek door toezending van een afschrift daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedeputeerde staten.
2. Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan
a. indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel
b. indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien.
Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing.
3. Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling.
4. Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvan toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek.
5. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister.
6. Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
7. In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtbesluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, van die wetkunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.
8. Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister.
10. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan
a. indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel
b. indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien.
Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing.
3. Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling.
4. Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvan toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek.
5. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister.
6. Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
7. In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtbesluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, van die wetkunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.
8. Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister.
10. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.