BWBR0051266
Geldig vanaf 2025-07-18
Artikel 80
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2025
1. De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste tot en met vierde lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een biomassaverbrandingsinstallatie bedoeld in artikel 79, derde lid, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW, of de in een proces als bedoeld in artikel 81, vierde lidgebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
4. De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, met uitzondering van koolstofdioxide die is afgevangen uit de omgevingslucht, komt uitsluitend voort uit:
a. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352 of 38;
b. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 351, indien de koolstofdioxide vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352, 353 of 38;
c. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 35111, indien het de productie betreft van: 1° elektriciteit door een warmtekrachtcentrale die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas; of
2° warmte door een biomassaverbrandingsinstallatie.
1° elektriciteit door een warmtekrachtcentrale die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas; of
2° warmte door een biomassaverbrandingsinstallatie.
5. De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt door een productie-installatie als bedoeld in artikel 79, eerste lid, komt niet voort uit de productie van stoom van minder dan 200°C.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een biomassaverbrandingsinstallatie bedoeld in artikel 79, derde lid, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW, of de in een proces als bedoeld in artikel 81, vierde lidgebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
4. De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, met uitzondering van koolstofdioxide die is afgevangen uit de omgevingslucht, komt uitsluitend voort uit:
a. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352 of 38;
b. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 351, indien de koolstofdioxide vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352, 353 of 38;
c. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 35111, indien het de productie betreft van: 1° elektriciteit door een warmtekrachtcentrale die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas; of
2° warmte door een biomassaverbrandingsinstallatie.
1° elektriciteit door een warmtekrachtcentrale die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas; of
2° warmte door een biomassaverbrandingsinstallatie.
5. De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt door een productie-installatie als bedoeld in artikel 79, eerste lid, komt niet voort uit de productie van stoom van minder dan 200°C.