BWBR0051266
Geldig vanaf 2025-07-18
Artikel 8
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2025
1. Als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit SDEKworden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, onderdelen a en c, 27 en 29;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 39, 41 en 53, onderdeel e;
c. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen c tot en met g en vierde lid, onderdeel c, en artikel 81, onderdelen c tot en met g, indien deze worden gecombineerd met een productie-installatie waarmee broeikasgas wordt verminderd door de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide;
d. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid, derde lid en vierde lid, onderdelen a en b, en als bedoeld in artikel 81, onderdelen a en b, waarbij: 1°. in het geval van productie-installaties als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en als bedoeld in artikel 81, onderdeel a, subonderdeel 2° op grond van het Besluit SDEK voor dezelfde productie-installatie geen subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide waarbij gebruik gemaakt wordt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, en;
2°. voor dezelfde productie-installatie niet eerder op grond van het Besluit SDEK subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt.
1°. in het geval van productie-installaties als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en als bedoeld in artikel 81, onderdeel a, subonderdeel 2° op grond van het Besluit SDEK voor dezelfde productie-installatie geen subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide waarbij gebruik gemaakt wordt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, en;
2°. voor dezelfde productie-installatie niet eerder op grond van het Besluit SDEK subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt.
2. Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit SDEKworden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 25, onderdelen b en d;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 41 en 49, eerste lid;
c. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdelen c en d.
3. Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van het Besluit SDEKworden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 21;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 23, 25, 27, 29 en 31;
c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, 37, 39, 41, 47 en 53, onderdeel e;
d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikelen 63, eerste lid, onderdelen c en d en 71;
e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in de artikelen 79, eerste tot en met vierde lid, en 81;
f. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 83, eerste lid.
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, onderdelen a en c, 27 en 29;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 39, 41 en 53, onderdeel e;
c. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen c tot en met g en vierde lid, onderdeel c, en artikel 81, onderdelen c tot en met g, indien deze worden gecombineerd met een productie-installatie waarmee broeikasgas wordt verminderd door de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide;
d. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid, derde lid en vierde lid, onderdelen a en b, en als bedoeld in artikel 81, onderdelen a en b, waarbij: 1°. in het geval van productie-installaties als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en als bedoeld in artikel 81, onderdeel a, subonderdeel 2° op grond van het Besluit SDEK voor dezelfde productie-installatie geen subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide waarbij gebruik gemaakt wordt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, en;
2°. voor dezelfde productie-installatie niet eerder op grond van het Besluit SDEK subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt.
1°. in het geval van productie-installaties als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en als bedoeld in artikel 81, onderdeel a, subonderdeel 2° op grond van het Besluit SDEK voor dezelfde productie-installatie geen subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide waarbij gebruik gemaakt wordt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, en;
2°. voor dezelfde productie-installatie niet eerder op grond van het Besluit SDEK subsidie mag zijn verstrekt voor de vermindering van broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt.
2. Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit SDEKworden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 25, onderdelen b en d;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 41 en 49, eerste lid;
c. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdelen c en d.
3. Als productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van het Besluit SDEKworden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 21;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 23, 25, 27, 29 en 31;
c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, 37, 39, 41, 47 en 53, onderdeel e;
d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikelen 63, eerste lid, onderdelen c en d en 71;
e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in de artikelen 79, eerste tot en met vierde lid, en 81;
f. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 83, eerste lid.