BWBR0049781
Geldig vanaf 2025-06-13
Artikel 9
Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s
1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.
2. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen aan de aanvraag meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten.
3. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen aan de aanvraag op verzoek van de Minister of de Realisatie-Eenheid actief meewerken aan kennisdelingsactiviteiten.
4. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat een afvaardiging van de deelnemende partijen aan de aanvraag in 2025 twee keer een gesprek voert met de Realisatie-Eenheid waarvan één bestuurlijk gesprek in het najaar, over opvolging van de aanbevelingen van de Realisatie-Eenheid, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b, de voortgang, de behaalde resultaten en de genomen maatregelen uit het plan van aanpak inclusief de begroting.
5. Over de geboekte resultaten en de opvolging van de aanbevelingen van de Realisatie-Eenheid dient de penvoerder uiterlijk op 14 februari 2026 een rapportage in. In de rapportage zijn een terugblik op de activiteiten in 2025 door de penvoerder en aandachtspunten voor 2026 door de Realisatie-Eenheid opgenomen. Dit geschiedt met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar wordt gesteld. De rapportage wordt openbaar gemaakt met inachtneming van de voorschriften uit de Algemene verordening gegevensbescherming.
6. In aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling, is de penvoerder ervoor verantwoordelijk dat een administratie wordt bijgehouden:
a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal studenten en zij-instromers is geregistreerd, dat in schooljaar 2023-2024 op de vestigingen van opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen een onderwijsregio is opgeleid; en
b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages.
2. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen aan de aanvraag meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten.
3. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen aan de aanvraag op verzoek van de Minister of de Realisatie-Eenheid actief meewerken aan kennisdelingsactiviteiten.
4. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat een afvaardiging van de deelnemende partijen aan de aanvraag in 2025 twee keer een gesprek voert met de Realisatie-Eenheid waarvan één bestuurlijk gesprek in het najaar, over opvolging van de aanbevelingen van de Realisatie-Eenheid, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b, de voortgang, de behaalde resultaten en de genomen maatregelen uit het plan van aanpak inclusief de begroting.
5. Over de geboekte resultaten en de opvolging van de aanbevelingen van de Realisatie-Eenheid dient de penvoerder uiterlijk op 14 februari 2026 een rapportage in. In de rapportage zijn een terugblik op de activiteiten in 2025 door de penvoerder en aandachtspunten voor 2026 door de Realisatie-Eenheid opgenomen. Dit geschiedt met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar wordt gesteld. De rapportage wordt openbaar gemaakt met inachtneming van de voorschriften uit de Algemene verordening gegevensbescherming.
6. In aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling, is de penvoerder ervoor verantwoordelijk dat een administratie wordt bijgehouden:
a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal studenten en zij-instromers is geregistreerd, dat in schooljaar 2023-2024 op de vestigingen van opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen een onderwijsregio is opgeleid; en
b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages.