BWBR0049781
Geldig vanaf 2025-06-13
Artikel 13
Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s
1. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0037603/artikel/9.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling</a>, wordt de subsidie aan de penvoerderbinnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode verleend. De Minister verstrekt een voorschot van 100%, dat in één keer wordt uitbetaald.
2. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de <a href="/wet/BWBR0023132" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Regeling jaarverslaggeving onderwijs</a>met model G, onderdeel 1.
3. De subsidie wordt binnen één jaar na indiening van de jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2025 en beoordeling van de rapportage, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, vastgesteld.
4. Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte door de Minister bij de verlening is genoemd.
5. De penvoerder toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.
2. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de <a href="/wet/BWBR0023132" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Regeling jaarverslaggeving onderwijs</a>met model G, onderdeel 1.
3. De subsidie wordt binnen één jaar na indiening van de jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2025 en beoordeling van de rapportage, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, vastgesteld.
4. Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte door de Minister bij de verlening is genoemd.
5. De penvoerder toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.