BWBR0046464
Geldig vanaf 2022-05-09
Artikel 4.9
Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel
Een subsidieaanvraag wordt, met toepassing van het bepaalde in artikel 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:
a. er al een subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor hetzelfde project;
b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening die de maximale steunintensiteit overschrijdt;
c. er sprake is van een onderneming of organisatie, bedoeld in artikel 4.5, in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt;
e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
f. een project experimentele ontwikkeling minder dan 70 punten heeft behaald in de rangschikking;
g. voor een projectaanvraag niet kan worden aangetoond dat er overleg is geweest of gedurende het project zal zijn over toelating met de Rijksdienst voor het Wegverkeer of Inspectie Leefomgeving en Transport, indien toelating tot weg, spoor of water essentieel is voor het project;
h. de aanvrager van een project haalbaarheidsstudie niet in staat wordt geacht om de resultaten daarvan zelf in een project experimentele ontwikkeling voort te zetten;
i. in geval van een project haalbaarheidsstudie de subsidiabele projectkosten voor meer dan 25% bestaan uit testkosten ter beantwoording van haalbaarheidsvragen; of
j. de aanvraag niet voldoet aan de in de regeling gestelde regels.
a. er al een subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor hetzelfde project;
b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening die de maximale steunintensiteit overschrijdt;
c. er sprake is van een onderneming of organisatie, bedoeld in artikel 4.5, in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt;
e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
f. een project experimentele ontwikkeling minder dan 70 punten heeft behaald in de rangschikking;
g. voor een projectaanvraag niet kan worden aangetoond dat er overleg is geweest of gedurende het project zal zijn over toelating met de Rijksdienst voor het Wegverkeer of Inspectie Leefomgeving en Transport, indien toelating tot weg, spoor of water essentieel is voor het project;
h. de aanvrager van een project haalbaarheidsstudie niet in staat wordt geacht om de resultaten daarvan zelf in een project experimentele ontwikkeling voort te zetten;
i. in geval van een project haalbaarheidsstudie de subsidiabele projectkosten voor meer dan 25% bestaan uit testkosten ter beantwoording van haalbaarheidsvragen; of
j. de aanvraag niet voldoet aan de in de regeling gestelde regels.