BWBR0036381
Geldig vanaf 2015-07-01
Artikel 12
Kaderbesluit subsidies I en M
Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:
a. door de toepassing van een de-minimisverordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kunnen financieren;
c. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;
d. het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;
g. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;
i. de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;
j. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. er naar het oordeel van Onze Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.
a. door de toepassing van een de-minimisverordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kunnen financieren;
c. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;
d. het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;
g. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;
i. de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;
j. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. er naar het oordeel van Onze Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.