BWBR0041573
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 4.9
Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers
1. Ten behoeve van een veilige woonplek als bedoeld in artikel 4.3.1, tweede lid, van het besluit worden aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur de in een beveiligingsadvies geadviseerde beveiligingsmaatregelen verstrekt.
2. De veiligheidsmaatregelen worden verstrekt ten behoeve van de woonplek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur.
3. Indien het dagelijks bestuur kosten maakt voor de verstrekking van beveiligingsmaatregelen, komen deze ten laste van het waterschap.
4. Het beveiligingsadvies, wordt vastgesteld door de beveiligingsautoriteit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en schrijft de beveiligingsmaatregelen voor die passend zijn gezien:
a. een dreigingsanalyse, met voor zover redelijkerwijs mogelijk informatie over de lokale veiligheidsrisico’s en overige relevante omstandigheden; en
b. een beoordeling van de veiligheidsrisico’s in en om de woonplek, van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur.
5. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur kan slechts aanspraak maken op de verstrekking van beveiligingsmaatregelen:
a. gedurende de uitoefening van het ambt, of op een moment daarvoor waarop vaststond dat voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur het ambt zou gaan vervullen en;
b. indien voor de woning een geldig Politiekeurmerk Veilig Wonen-certificaat is afgegeven, tenzij van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat aan deze eisen wordt voldaan.
6. Indien het woonadres van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur gedurende de uitoefening van diens ambt wijzigt en reeds maatregelen, zijn verstrekt aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur, kunnen nogmaals maatregelen worden verstrekt voor de nieuwe woonplek, op basis van een nieuw beveiligingsadvies.
7. In afwijking van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, kunnen een of meer maatregelen voor de duur van de uitoefening van het ambt ter beschikking worden gesteld.
2. De veiligheidsmaatregelen worden verstrekt ten behoeve van de woonplek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur.
3. Indien het dagelijks bestuur kosten maakt voor de verstrekking van beveiligingsmaatregelen, komen deze ten laste van het waterschap.
4. Het beveiligingsadvies, wordt vastgesteld door de beveiligingsautoriteit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en schrijft de beveiligingsmaatregelen voor die passend zijn gezien:
a. een dreigingsanalyse, met voor zover redelijkerwijs mogelijk informatie over de lokale veiligheidsrisico’s en overige relevante omstandigheden; en
b. een beoordeling van de veiligheidsrisico’s in en om de woonplek, van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur.
5. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur kan slechts aanspraak maken op de verstrekking van beveiligingsmaatregelen:
a. gedurende de uitoefening van het ambt, of op een moment daarvoor waarop vaststond dat voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur het ambt zou gaan vervullen en;
b. indien voor de woning een geldig Politiekeurmerk Veilig Wonen-certificaat is afgegeven, tenzij van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat aan deze eisen wordt voldaan.
6. Indien het woonadres van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur gedurende de uitoefening van diens ambt wijzigt en reeds maatregelen, zijn verstrekt aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur, kunnen nogmaals maatregelen worden verstrekt voor de nieuwe woonplek, op basis van een nieuw beveiligingsadvies.
7. In afwijking van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, kunnen een of meer maatregelen voor de duur van de uitoefening van het ambt ter beschikking worden gesteld.