BWBR0040605
Geldig vanaf 2018-04-01
Artikel 31
Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
1. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de instituutssubsidie die is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, te vermenigvuldigen met 0,5.
2. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor een bepaald onderzoeksprogramma is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de programmasubsidie die voor dat onderzoeksprogramma is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, te vermenigvuldigen met 0,6.
3. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, derde lid, voor een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de infrastructuursubsidie die voor die onderzoeksinfrastructuur is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, derde lid, te vermenigvuldigen met 0,5.
4. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen niet of slechts gedeeltelijk voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening, de visserijvrijstellingsverordening of aan de vereisten verbonden aan de goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, informeert het instituut de minister over deze overtreding en geeft daarbij de omvang weer van het bedrag dat niet in overeenstemming is met de vereisten en het boekjaar waarin deze overtreding heeft plaatsgevonden.
5. Bij de toepassing van artikel 7 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidiesop grond van de informatie, bedoeld in het vierde lid, kan de minister overgaan tot verrekening met de verstrekte subsidie in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan. De minister doet daarvan uitdrukkelijk mededeling in de beschikking tot subsidievaststelling en maakt deze verrekening openbaar.
2. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor een bepaald onderzoeksprogramma is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de programmasubsidie die voor dat onderzoeksprogramma is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, te vermenigvuldigen met 0,6.
3. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, derde lid, voor een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de infrastructuursubsidie die voor die onderzoeksinfrastructuur is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, derde lid, te vermenigvuldigen met 0,5.
4. Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen niet of slechts gedeeltelijk voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening, de visserijvrijstellingsverordening of aan de vereisten verbonden aan de goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, informeert het instituut de minister over deze overtreding en geeft daarbij de omvang weer van het bedrag dat niet in overeenstemming is met de vereisten en het boekjaar waarin deze overtreding heeft plaatsgevonden.
5. Bij de toepassing van artikel 7 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidiesop grond van de informatie, bedoeld in het vierde lid, kan de minister overgaan tot verrekening met de verstrekte subsidie in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan. De minister doet daarvan uitdrukkelijk mededeling in de beschikking tot subsidievaststelling en maakt deze verrekening openbaar.