BWBR0040605
Geldig vanaf 2018-04-01
Artikel 29
Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
1. Bij het verrichten van economische activiteiten neemt het instituut de verplichtingen in acht die van toepassing zijn op grond van artikel 107, derde lid, onderdelen b, c en e, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en daarop gebaseerde kaders, mededelingen en andere richtsnoeren van de Europese Commissie evenals de verordeningen, bedoeld in de artikelen 108, vierde lid, en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2. Bij de nakoming van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, past het instituut, indien er sprake is van economische activiteiten die gefinancierd zijn met instituutssubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, of programmasubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor een onderzoeksprogramma als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, één van de volgende methoden toe:
a. de totale omvang van economische activiteiten die door het instituut worden ontplooid, bedraagt voor het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent van: 1°. het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
1°. het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
b. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening of de visserijvrijstellingsverordening, of
c. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan een voorafgaande goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor de steunmaatregel die het instituut heeft ingesteld.
3. Indien er sprake is van economische activiteiten op een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur die gefinancierd is met infrastructuursubsidie, voldoet het instituut aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de economische activiteiten die op die afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur worden ontplooid, in het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent bedragen van het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur in dat boekjaar in werking is geweest.
4. Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, zijn alleen toepasbaar voor zover de economische activiteiten die in dit kader worden verricht zuiver ondersteunend blijven, doordat precies dezelfde input wordt gebruikt als voor de niet-economische activiteiten.
5. Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de verslaglegging als bedoeld in artikel 11 van Verordening 651/2014, artikel 11 van de landbouwvrijstellingsverordening of artikel 11 van de visserijvrijstellingsverordening.
6. Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel c, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de aanmelding overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
7. Het instituut verstrekt alle benodigde informatie aan de minister om de verslaglegging of aanmelding op effectieve wijze te kunnen verrichten. De minister informeert het instituut over de verslaglegging of aanmelding.
2. Bij de nakoming van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, past het instituut, indien er sprake is van economische activiteiten die gefinancierd zijn met instituutssubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, of programmasubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor een onderzoeksprogramma als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, één van de volgende methoden toe:
a. de totale omvang van economische activiteiten die door het instituut worden ontplooid, bedraagt voor het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent van: 1°. het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
1°. het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en
2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;
b. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, de landbouwvrijstellingsverordening of de visserijvrijstellingsverordening, of
c. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan een voorafgaande goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor de steunmaatregel die het instituut heeft ingesteld.
3. Indien er sprake is van economische activiteiten op een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur die gefinancierd is met infrastructuursubsidie, voldoet het instituut aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de economische activiteiten die op die afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur worden ontplooid, in het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent bedragen van het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur in dat boekjaar in werking is geweest.
4. Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, zijn alleen toepasbaar voor zover de economische activiteiten die in dit kader worden verricht zuiver ondersteunend blijven, doordat precies dezelfde input wordt gebruikt als voor de niet-economische activiteiten.
5. Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de verslaglegging als bedoeld in artikel 11 van Verordening 651/2014, artikel 11 van de landbouwvrijstellingsverordening of artikel 11 van de visserijvrijstellingsverordening.
6. Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel c, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de aanmelding overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
7. Het instituut verstrekt alle benodigde informatie aan de minister om de verslaglegging of aanmelding op effectieve wijze te kunnen verrichten. De minister informeert het instituut over de verslaglegging of aanmelding.