BWBR0040605
Geldig vanaf 2018-04-01
Artikel 22
Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
1. Een instituut maakt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt openbaar, voor zover hierop geen intellectuele eigendomsrechten zijn of zullen worden gevestigd.
2. Een instituut stelt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt waarop intellectuele eigendomsrechten rusten beschikbaar aan derden tegen redelijke tarieven en voorwaarden. Indien een derde een onderneming is, geldt als redelijk tarief de marktprijs, berekend overeenkomstig artikel 27, derde lid.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde, de openbare veiligheid, of indien er sprake is van een bedrijfsgeheim:
a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden, of
b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Indien het instituut vermoedt dat resultaten van dien aard zijn dat gebruik gemaakt kan worden van de uitzondering, bedoeld in het derde lid, informeert het instituut de minister en de minister die het mede aangaat ten minste twee weken voor openbaarmaking of beschikbaarstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid.
5. Indien de betrokken minister voornemens is te reageren op de voorgenomen openbaarmaking of beschikbaarstelling, stelt hij het instituut hiervan binnen twee weken na ontvangst van het voornemen in kennis. Het instituut gaat niet over tot openbaarmaking of beschikbaarstelling totdat het de reactie van de minister heeft ontvangen.
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, worden de regels voor openbaarmaking van resultaten die voortvloeien uit programma’s voor wettelijke onderzoekstaken die gefinancierd zijn met programmasubsidie, vastgelegd in het desbetreffende programma overeenkomstig de aanwijzingen van de minister die het aangaat.
2. Een instituut stelt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt waarop intellectuele eigendomsrechten rusten beschikbaar aan derden tegen redelijke tarieven en voorwaarden. Indien een derde een onderneming is, geldt als redelijk tarief de marktprijs, berekend overeenkomstig artikel 27, derde lid.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde, de openbare veiligheid, of indien er sprake is van een bedrijfsgeheim:
a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden, of
b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Indien het instituut vermoedt dat resultaten van dien aard zijn dat gebruik gemaakt kan worden van de uitzondering, bedoeld in het derde lid, informeert het instituut de minister en de minister die het mede aangaat ten minste twee weken voor openbaarmaking of beschikbaarstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid.
5. Indien de betrokken minister voornemens is te reageren op de voorgenomen openbaarmaking of beschikbaarstelling, stelt hij het instituut hiervan binnen twee weken na ontvangst van het voornemen in kennis. Het instituut gaat niet over tot openbaarmaking of beschikbaarstelling totdat het de reactie van de minister heeft ontvangen.
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, worden de regels voor openbaarmaking van resultaten die voortvloeien uit programma’s voor wettelijke onderzoekstaken die gefinancierd zijn met programmasubsidie, vastgelegd in het desbetreffende programma overeenkomstig de aanwijzingen van de minister die het aangaat.