BWBR0040605
Geldig vanaf 2018-04-01
Artikel 3
Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek
1. Het instituut legt eenmaal per vier jaren een strategisch plan ter goedkeuring voor aan de minister. De goedkeuring geschiedt, in afwijking van de begripsbepaling van minister in artikel 1, door de minister die op basis van deze regeling instituutssubsidie verstrekt aan het instituut.
2. De minister richt zich bij de beoordeling en goedkeuring van dit plan op de publieke taken van het instituut, de voorgenomen besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking en de economische activiteiten voor zover die van directe invloed zijn op de publieke taken.
3. Een strategisch plan wordt uiterlijk ingediend op 31 mei van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft.
4. In het strategisch plan beschrijft het instituut in elk geval:
a. de mate waarin de doelstellingen van het strategisch plan uit de vorige periode zijn behaald;
b. de publieke taken van het instituut en de wijze waarop deze worden uitgevoerd;
c. de besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking;
d. een raming van de omzet die het instituut met economische activiteiten verwacht te genereren, afgezet tegen de totale omzet die het instituut verwacht te genereren;
e. de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen;
f. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;
g. een omschrijving van de gebieden, de aard en het kwaliteitsniveau van de door het instituut te leveren prestaties;
h. de middelen die nodig zijn;
i. de relatie van bestaande en op te zetten grote onderzoekfaciliteiten met het voorgenomen onderzoek, en
j. mogelijkheden voor onderlinge samenwerking met andere instituten.
5. De minister beslist, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, uiterlijk op 31 juli van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft over de goedkeuring van het strategisch plan.
2. De minister richt zich bij de beoordeling en goedkeuring van dit plan op de publieke taken van het instituut, de voorgenomen besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking en de economische activiteiten voor zover die van directe invloed zijn op de publieke taken.
3. Een strategisch plan wordt uiterlijk ingediend op 31 mei van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft.
4. In het strategisch plan beschrijft het instituut in elk geval:
a. de mate waarin de doelstellingen van het strategisch plan uit de vorige periode zijn behaald;
b. de publieke taken van het instituut en de wijze waarop deze worden uitgevoerd;
c. de besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking;
d. een raming van de omzet die het instituut met economische activiteiten verwacht te genereren, afgezet tegen de totale omzet die het instituut verwacht te genereren;
e. de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen;
f. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;
g. een omschrijving van de gebieden, de aard en het kwaliteitsniveau van de door het instituut te leveren prestaties;
h. de middelen die nodig zijn;
i. de relatie van bestaande en op te zetten grote onderzoekfaciliteiten met het voorgenomen onderzoek, en
j. mogelijkheden voor onderlinge samenwerking met andere instituten.
5. De minister beslist, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, uiterlijk op 31 juli van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft over de goedkeuring van het strategisch plan.