BWBR0040179
Geldig vanaf 2018-02-06
Artikel 7.5
Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
1. Voor zover het een situatie betreft waarbij het gaat om blootstelling van vliegtuigbemanning veroorzaakt door kosmische straling, zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen alleen van toepassing voor zover zulks in dit artikel is bepaald.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot een blootgestelde werknemer die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning:
a. deze voor zijn indiensttreding of tewerkstelling wordt ingelicht omtrent de risico’s van blootstelling aan kosmische straling;
b. de grootte van de door hem ontvangen effectieve dosis ten gevolge van kosmische straling wordt bepaald door middel van een bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde berekeningsmethode;
c. ter voldoening aan de in artikel 2.6 gestelde verplichting, dat er rekening wordt gehouden met de blootstelling bij het opstellen van de werkroosters teneinde de doses van A-werknemers te beperken; en
d. de door hem ten gevolge van kosmische straling ontvangen effectieve dosis tezamen met de effectieve doses ten gevolge van handelingen die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer worden verricht, niet hoger is dan 20 millisievert in een kalenderjaar.
3. De artikelen 7.1, eerste en derde lid, onder c, l en m, zesde, zevende en negende lid, 7.2, eerste, tweede en derde lid, vierde lid, onder e, f, g, j en m, vijfde en zevende lid, 7.3, eerste lid, onder a, 7.4, 7.11, 7.12, 7.13, 7.21, 7.24, 7.25, 7.28, 7.29, 7.35, eerste lid, tweede lid onder a, en vierde lid, en 7.36, eerste en derde lid, zijn van toepassing. Artikel 7.16, 7.17, 7.19, eerste lid, 7.20en 7.26zijn van toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14en 7.31» wordt gelezen: de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikel 7.5, tweede lid, onder b. Artikel 7.27is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14en 7.31, en de dosislimieten en referentieniveaus, genoemd in de artikelen 7.3en 7.34 tot en met 7.38» wordt gelezen: de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikel 7.5, tweede lid, onder b, en de dosislimieten, genoemd in de artikelen 7.5, tweede lid, onder d, 7.35, tweede lid, onder aen 7.36, eerste lid.
4. Indien de dosislimiet, genoemd in het tweede lid, onder d, overschreden wordt, meldt de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot een blootgestelde werknemer die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning:
a. deze voor zijn indiensttreding of tewerkstelling wordt ingelicht omtrent de risico’s van blootstelling aan kosmische straling;
b. de grootte van de door hem ontvangen effectieve dosis ten gevolge van kosmische straling wordt bepaald door middel van een bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde berekeningsmethode;
c. ter voldoening aan de in artikel 2.6 gestelde verplichting, dat er rekening wordt gehouden met de blootstelling bij het opstellen van de werkroosters teneinde de doses van A-werknemers te beperken; en
d. de door hem ten gevolge van kosmische straling ontvangen effectieve dosis tezamen met de effectieve doses ten gevolge van handelingen die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer worden verricht, niet hoger is dan 20 millisievert in een kalenderjaar.
3. De artikelen 7.1, eerste en derde lid, onder c, l en m, zesde, zevende en negende lid, 7.2, eerste, tweede en derde lid, vierde lid, onder e, f, g, j en m, vijfde en zevende lid, 7.3, eerste lid, onder a, 7.4, 7.11, 7.12, 7.13, 7.21, 7.24, 7.25, 7.28, 7.29, 7.35, eerste lid, tweede lid onder a, en vierde lid, en 7.36, eerste en derde lid, zijn van toepassing. Artikel 7.16, 7.17, 7.19, eerste lid, 7.20en 7.26zijn van toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14en 7.31» wordt gelezen: de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikel 7.5, tweede lid, onder b. Artikel 7.27is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14en 7.31, en de dosislimieten en referentieniveaus, genoemd in de artikelen 7.3en 7.34 tot en met 7.38» wordt gelezen: de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikel 7.5, tweede lid, onder b, en de dosislimieten, genoemd in de artikelen 7.5, tweede lid, onder d, 7.35, tweede lid, onder aen 7.36, eerste lid.
4. Indien de dosislimiet, genoemd in het tweede lid, onder d, overschreden wordt, meldt de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.