BWBR0040179
Geldig vanaf 2018-02-06
Artikel 3.24
Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
1. Krachtens paragraaf 3.3.1, 3.3.2of 10.2vrijgestelde of vrijgegeven bronnen of handelingen omvatten mede bronnen en handelingen behorend tot een categorie als genoemd in het tweede of derde lid.
2. Aanwijsinstrumenten als bedoeld in artikel 4.24waaraan uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt, respectievelijk is, toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden, en waarvan het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, respectievelijk Pm-147, en er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten voorhanden zijn.
3. Overige onder a tot en met d genoemde handelingen of blootstellingsituaties:
a. menselijke activiteiten met: 1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of
2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;
1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of
2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;
b. het lozen van radioactieve stoffen in de bodem als bedoeld in artikel 10.5, tweede lid, wanneer de in een kalenderjaar totaal geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6 REing als bedoeld in bijlage 2;
c. het lozen van productiewater bij mijnbouw als bedoeld in artikel 10.5, derde lid, indien dit geschiedt door middel van injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het water afkomstig is en op een zodanige wijze dat het water niet in andere watervoerende lagen terechtkomt;
d. handelingen met materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten, welke het resultaat zijn van het mengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.7, zesde lid.
2. Aanwijsinstrumenten als bedoeld in artikel 4.24waaraan uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt, respectievelijk is, toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden, en waarvan het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, respectievelijk Pm-147, en er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten voorhanden zijn.
3. Overige onder a tot en met d genoemde handelingen of blootstellingsituaties:
a. menselijke activiteiten met: 1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of
2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;
1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of
2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;
b. het lozen van radioactieve stoffen in de bodem als bedoeld in artikel 10.5, tweede lid, wanneer de in een kalenderjaar totaal geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6 REing als bedoeld in bijlage 2;
c. het lozen van productiewater bij mijnbouw als bedoeld in artikel 10.5, derde lid, indien dit geschiedt door middel van injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het water afkomstig is en op een zodanige wijze dat het water niet in andere watervoerende lagen terechtkomt;
d. handelingen met materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten, welke het resultaat zijn van het mengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.7, zesde lid.