BWBR0040179
Geldig vanaf 2018-02-06
Artikel 3.20
Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
1. Afdeling 3.2is niet van toepassing op handelingen met radioactieve materialen bestemd voor verwijdering, recycling, hergebruik of verbranding:
a. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan: 1°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1 opgenomen vrijgavewaarde voor kunstmatige radionucliden, of
2°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 2 opgenomen vrijgavewaarde voor van nature voorkomende radionucliden, of
1°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1 opgenomen vrijgavewaarde voor kunstmatige radionucliden, of
2°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 2 opgenomen vrijgavewaarde voor van nature voorkomende radionucliden, of
b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende krachtens het vierde lid of artikel 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.
2. Artikel 3.17, tweede, zesde en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Afdeling 3.2is voorts niet van toepassing in de gevallen, bedoeld in de artikelen 10.3, 10.4en 10.6.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1° of 2°, vrijgavewaarden op basis van de activiteitsconcentratie worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld.
5. Bij de toepassing van het vierde lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, en het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.
a. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan: 1°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1 opgenomen vrijgavewaarde voor kunstmatige radionucliden, of
2°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 2 opgenomen vrijgavewaarde voor van nature voorkomende radionucliden, of
1°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1 opgenomen vrijgavewaarde voor kunstmatige radionucliden, of
2°. de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 2 opgenomen vrijgavewaarde voor van nature voorkomende radionucliden, of
b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende krachtens het vierde lid of artikel 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.
2. Artikel 3.17, tweede, zesde en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Afdeling 3.2is voorts niet van toepassing in de gevallen, bedoeld in de artikelen 10.3, 10.4en 10.6.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1° of 2°, vrijgavewaarden op basis van de activiteitsconcentratie worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld.
5. Bij de toepassing van het vierde lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, en het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.