BWBR0034213
Geldig vanaf 2014-06-16
Artikel 4.10
Uitvoeringsregeling stralingsbescherming
1. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot inherent veilige toestellen:
a. het toestel zodanig in een apparaat is ingebouwd dat het niet in werking kan zijn of treden wanneer het apparaat geopend is. De omkasting van het toestel is daartoe, indien mogelijk, met schakelaars welke mechanisch gedwongen verbreken beveiligd;
b. het toestel uitsluitend gebruikt wordt wanneer de beveiligingen die op het apparaat zijn aangebracht ter beperking van de stralingsniveaus buiten het apparaat, in goede staat functioneren;
c. op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van een bereikbare buitenzijde van het apparaat een dosisequivalenttempo gemeten kan worden van meer dan 1 microsievert per uur;
d. de bediening van het toestel geschiedt op een plaats waar de effectieve dosis minder bedraagt dan 1 millisievert per jaar;
e. het apparaat is voorzien van een waarschuwingsteken.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot andere toestellen dan bedoeld in het eerste lid:
a. een zodanige afscherming is aangebracht dat de straling die naar buiten treedt, uitgezonderd op de plaats van de opening bestemd voor het naar buiten treden van de nuttige stralenbundel, zo weinig als redelijkerwijs mogelijk schade kan toebrengen;
b. een tubus of een ander middel dat de grootte van de nuttige stralenbundel bepaalt, dezelfde mate van bescherming tegen straling waarborgt als het omhulsel van een toestel;
c. een toestel en de bijbehorende hulp- en beveiligingsmiddelen zodanig zijn opgesteld en afgeschermd dat personen zich niet aan de primaire stralenbundel behoeven bloot te stellen, tenzij zij een radiologische verrichting ondergaan;
d. maatregelen worden getroffen ten aanzien van de opstelling en werkwijze van een toestel om te voorkomen dat door verstrooide straling schade wordt toegebracht;
e. een toestel niet door onbevoegden in werking kan worden gesteld;
f. maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat personen onbevoegd de ruimte of plaats kunnen betreden wanneer het toestel in werking is;
g. het toestel is voorzien van een waarschuwingsteken.
3. De afschermingseisen bedoeld in het tweede lid, onder a, gelden niet:
a. voor het testen van een toestel,
b. voor röntgenbuizen indien deze worden gebruikt in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte of plaats, of
c. tijdens reparatie, onderhoud of onderzoek met röntgenbuizen opgesteld in laboratoria of beproevingsruimten, mits maatregelen zijn genomen waardoor schade ten gevolge van uitwendige bestraling zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen.
a. het toestel zodanig in een apparaat is ingebouwd dat het niet in werking kan zijn of treden wanneer het apparaat geopend is. De omkasting van het toestel is daartoe, indien mogelijk, met schakelaars welke mechanisch gedwongen verbreken beveiligd;
b. het toestel uitsluitend gebruikt wordt wanneer de beveiligingen die op het apparaat zijn aangebracht ter beperking van de stralingsniveaus buiten het apparaat, in goede staat functioneren;
c. op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van een bereikbare buitenzijde van het apparaat een dosisequivalenttempo gemeten kan worden van meer dan 1 microsievert per uur;
d. de bediening van het toestel geschiedt op een plaats waar de effectieve dosis minder bedraagt dan 1 millisievert per jaar;
e. het apparaat is voorzien van een waarschuwingsteken.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot andere toestellen dan bedoeld in het eerste lid:
a. een zodanige afscherming is aangebracht dat de straling die naar buiten treedt, uitgezonderd op de plaats van de opening bestemd voor het naar buiten treden van de nuttige stralenbundel, zo weinig als redelijkerwijs mogelijk schade kan toebrengen;
b. een tubus of een ander middel dat de grootte van de nuttige stralenbundel bepaalt, dezelfde mate van bescherming tegen straling waarborgt als het omhulsel van een toestel;
c. een toestel en de bijbehorende hulp- en beveiligingsmiddelen zodanig zijn opgesteld en afgeschermd dat personen zich niet aan de primaire stralenbundel behoeven bloot te stellen, tenzij zij een radiologische verrichting ondergaan;
d. maatregelen worden getroffen ten aanzien van de opstelling en werkwijze van een toestel om te voorkomen dat door verstrooide straling schade wordt toegebracht;
e. een toestel niet door onbevoegden in werking kan worden gesteld;
f. maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat personen onbevoegd de ruimte of plaats kunnen betreden wanneer het toestel in werking is;
g. het toestel is voorzien van een waarschuwingsteken.
3. De afschermingseisen bedoeld in het tweede lid, onder a, gelden niet:
a. voor het testen van een toestel,
b. voor röntgenbuizen indien deze worden gebruikt in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte of plaats, of
c. tijdens reparatie, onderhoud of onderzoek met röntgenbuizen opgesteld in laboratoria of beproevingsruimten, mits maatregelen zijn genomen waardoor schade ten gevolge van uitwendige bestraling zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen.