BWBR0034213
Geldig vanaf 2014-06-16
Artikel 2.6
Uitvoeringsregeling stralingsbescherming
1. Een aanvraag voor een vergunning voor handelingen bevat in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de aanvraag ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. een omschrijving van de locatie en het adres of de kadastrale gegevens daarvan, bij wisselende locaties wordt een zo goed mogelijke aanduiding hiervan gegeven;
d. een omschrijving van de handeling waarvoor de vergunning wordt gevraagd en het doel daarvan;
e. de maximale totale effectieve dosis zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling op basis van omgevingsdosisequivaltenten, die een persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie van alle meldings- en vergunningplichtige handelingen tezamen binnen de locatie waarop de vergunningaanvraag van toepassing is;
f. de maximale effectieve of equivalente dosis die de bij de handelingen betrokken werknemers in een kalenderjaar kunnen ontvangen;
g. een beschrijving van de stralingsbeschermingsorganisatie en van de aanwezige deskundigheid met betrekking tot de handeling;
h. een opgave van de tijdsduur van de handeling;
i. een overzicht van alle meldingsplichtige en vergunningplichtige handelingen binnen de locatie, gespecificeerd naar aard en omvang.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een toestel, bevat zij voorts een beschrijving van het toestel onder vermelding van de gegevens betreffende de ioniserende straling die het toestel kan uitzenden.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met radioactieve stoffen, bevat zij voorts:
a. een opgave van de radionucliden, waarvoor vergunning wordt gevraagd;
b. een opgave van de ten gevolge van alle vergunningplichtige handelingen maximaal in de lucht, in het openbaar riool, het oppervlaktewater, of in de bodem te lozen radiotoxiteitsequivalenten voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, uitgedrukt in radiotoxiteitsequivalenten voor inhalatie, respectievelijk ingestie en gewogen voor inhalatie en ingestie;
c. de radiotoxoteitsequivalenten waarvoor de vergunning om te lozen wordt aangevraagd.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een ingekapselde bron, bevat zij voorts een opgave van de chemische en fysische toestand en vorm waardoor deze radioactieve stoffen een ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en de kwaliteit van de bron.
5. Indien de aanvraag een handeling met radioactieve stoffen betreft, bevat zij voorts een opgave van de overeenkomstig bijlage 1.2gewogen en gesommeerde activiteit op enig moment van de radionucliden in de radioactieve stoffen, die op de in het eerste lid onder c, bedoelde locatie ten hoogste aanwezig zal zijn.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een hoogactieve bron, bevat zij voorts:
a. informatie over het volume van de bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 20, eerste lid, van het besluit vereiste financiële zekerheid is gesteld.
7. Indien de omgevingsdosisequivalent, bedoeld in het eerste lid, onder e, hoger is dan 10 microsievert, of de radiotoxiteitsequivalenten van de geloosde activiteiten een dosis vertegenwoordigen die gelijk aan of hoger is dan 1 microsievert, in een kalenderjaar op enig punt buiten de locatie, bevat de aanvraag tevens een beschrijving van de maatregelen ter voorkomen van en bescherming tegen schade in en buiten de locatie.
a. de naam en het adres van degene die de aanvraag ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. een omschrijving van de locatie en het adres of de kadastrale gegevens daarvan, bij wisselende locaties wordt een zo goed mogelijke aanduiding hiervan gegeven;
d. een omschrijving van de handeling waarvoor de vergunning wordt gevraagd en het doel daarvan;
e. de maximale totale effectieve dosis zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling op basis van omgevingsdosisequivaltenten, die een persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie van alle meldings- en vergunningplichtige handelingen tezamen binnen de locatie waarop de vergunningaanvraag van toepassing is;
f. de maximale effectieve of equivalente dosis die de bij de handelingen betrokken werknemers in een kalenderjaar kunnen ontvangen;
g. een beschrijving van de stralingsbeschermingsorganisatie en van de aanwezige deskundigheid met betrekking tot de handeling;
h. een opgave van de tijdsduur van de handeling;
i. een overzicht van alle meldingsplichtige en vergunningplichtige handelingen binnen de locatie, gespecificeerd naar aard en omvang.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een toestel, bevat zij voorts een beschrijving van het toestel onder vermelding van de gegevens betreffende de ioniserende straling die het toestel kan uitzenden.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met radioactieve stoffen, bevat zij voorts:
a. een opgave van de radionucliden, waarvoor vergunning wordt gevraagd;
b. een opgave van de ten gevolge van alle vergunningplichtige handelingen maximaal in de lucht, in het openbaar riool, het oppervlaktewater, of in de bodem te lozen radiotoxiteitsequivalenten voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, uitgedrukt in radiotoxiteitsequivalenten voor inhalatie, respectievelijk ingestie en gewogen voor inhalatie en ingestie;
c. de radiotoxoteitsequivalenten waarvoor de vergunning om te lozen wordt aangevraagd.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een ingekapselde bron, bevat zij voorts een opgave van de chemische en fysische toestand en vorm waardoor deze radioactieve stoffen een ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en de kwaliteit van de bron.
5. Indien de aanvraag een handeling met radioactieve stoffen betreft, bevat zij voorts een opgave van de overeenkomstig bijlage 1.2gewogen en gesommeerde activiteit op enig moment van de radionucliden in de radioactieve stoffen, die op de in het eerste lid onder c, bedoelde locatie ten hoogste aanwezig zal zijn.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een hoogactieve bron, bevat zij voorts:
a. informatie over het volume van de bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 20, eerste lid, van het besluit vereiste financiële zekerheid is gesteld.
7. Indien de omgevingsdosisequivalent, bedoeld in het eerste lid, onder e, hoger is dan 10 microsievert, of de radiotoxiteitsequivalenten van de geloosde activiteiten een dosis vertegenwoordigen die gelijk aan of hoger is dan 1 microsievert, in een kalenderjaar op enig punt buiten de locatie, bevat de aanvraag tevens een beschrijving van de maatregelen ter voorkomen van en bescherming tegen schade in en buiten de locatie.