BWBR0027929
Geldig vanaf 2021-12-01
Artikel 7ae
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
1. Dit artikel is tot 1 januari 2025 van toepassing binnen de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.
2. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen.
3. In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Regeling ammoniak en veehouderijkan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regelingis opgenomen op aanvraag bij besluit bepalen dat in plaats van emissiefactoren gebruik wordt gemaakt van meetsensoren die de feitelijke emissies meten voor het beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3, 4of 5 van het Besluit emissiearme huisvestingen hetzij artikel 7, eerste lid, onder a en b, van de Wet ammoniak en veehouderij, hetzij artikel 3.114, eerste lid, onder a en b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
4. Indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, zijn artikel 6, eerste lid, van het Besluit emissiearme huisvesting, artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderijen artikel 3.112 van het Activiteitenbesluit milieubeheerniet van toepassing.
5. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het derde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen:
a. het emissieplafond en de wijze waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan;
b. dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.
6. Onverminderd artikel 3 van de Regeling ammoniak en veehouderijkan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regelingis opgenomen, op aanvraag bij besluit een bijzondere ammoniakemissiefactor of een emissiereductiepercentage vaststellen die bij de berekening van de ammoniakemissie worden toegepast.
7. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het zesde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2013a, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
8. Onverminderd artikel 67, eerste en derde lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007kan het bevoegd gezag op aanvraag bij besluit andere gegevens gebruiken en goedkeuren dan de gegevens, bedoeld in artikel 66, onder i, van die regeling.
9. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het achtste lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2010, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
10. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrechtwordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechthet oprichten of wijzigen van een dierenverblijf waarbij toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid, voor zover deze activiteit plaatsvindt binnen een inrichting type B zoals omschreven in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
11. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrechtkunnen aan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, voorschriften worden verbonden als toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid.
12. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrechtkan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.
13. In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld het tiende lid, wijzigen, indien:
a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie in kg per dierplaats per jaar hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem; of
d. aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.
14. Indien toepassing wordt gegeven aan het dertiende lid, is artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtvan overeenkomstige toepassing.
15. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof het tiende lid geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; of
c. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
16. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijftiende lid, wordt het besluit, bedoeld in zesde en achtste lid, ingetrokken.
2. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen.
3. In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Regeling ammoniak en veehouderijkan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regelingis opgenomen op aanvraag bij besluit bepalen dat in plaats van emissiefactoren gebruik wordt gemaakt van meetsensoren die de feitelijke emissies meten voor het beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3, 4of 5 van het Besluit emissiearme huisvestingen hetzij artikel 7, eerste lid, onder a en b, van de Wet ammoniak en veehouderij, hetzij artikel 3.114, eerste lid, onder a en b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
4. Indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, zijn artikel 6, eerste lid, van het Besluit emissiearme huisvesting, artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderijen artikel 3.112 van het Activiteitenbesluit milieubeheerniet van toepassing.
5. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het derde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen:
a. het emissieplafond en de wijze waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan;
b. dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.
6. Onverminderd artikel 3 van de Regeling ammoniak en veehouderijkan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regelingis opgenomen, op aanvraag bij besluit een bijzondere ammoniakemissiefactor of een emissiereductiepercentage vaststellen die bij de berekening van de ammoniakemissie worden toegepast.
7. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het zesde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2013a, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
8. Onverminderd artikel 67, eerste en derde lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007kan het bevoegd gezag op aanvraag bij besluit andere gegevens gebruiken en goedkeuren dan de gegevens, bedoeld in artikel 66, onder i, van die regeling.
9. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het achtste lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2010, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
10. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrechtwordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechthet oprichten of wijzigen van een dierenverblijf waarbij toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid, voor zover deze activiteit plaatsvindt binnen een inrichting type B zoals omschreven in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
11. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrechtkunnen aan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, voorschriften worden verbonden als toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid.
12. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrechtkan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.
13. In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld het tiende lid, wijzigen, indien:
a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie in kg per dierplaats per jaar hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem; of
d. aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.
14. Indien toepassing wordt gegeven aan het dertiende lid, is artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtvan overeenkomstige toepassing.
15. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof het tiende lid geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage;
b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; of
c. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
16. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijftiende lid, wordt het besluit, bedoeld in zesde en achtste lid, ingetrokken.