BWBR0027929
Geldig vanaf 2021-12-01
Artikel 7o
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
1. Dit artikel is van toepassing op bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordeningen inpassingsplannen als bedoeld in artikel 3.26respectievelijk artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordeningvoor de door provinciale staten van de provincie Groningen aangewezen concentratiegebieden voor de realisering van windturbineparken en voor Windpark Fryslân en Windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze gebieden kunnen aan gronden voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van de windturbines, mits deze worden vastgesteld voor 15 juli 2021.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, respectievelijk artikel 3.26juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, respectievelijk artikel 3.28juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van vijfendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 3.2, respectievelijk artikel 3.26juncto artikel 3.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998respectievelijk artikel 3.28juncto artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, geldt de voorlopige bestemming voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar.
4. In afwijking van artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningen artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998respectievelijk artikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningen artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998is de raad voor de duur van de in het tweede lid bedoelde termijn niet bevoegd de voor de exacte locaties van de windturbines in een inpassingsplan opgenomen bestemming en voorlopige bestemming te wijzigen.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid kan de raad van Delfzijl in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Oosterhorn voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en tweeëndertig jaar toekennen, mits de voorlopige bestemming wordt toegekend aan de concrete mastposities van de windturbines. De bestemming van deze gronden wordt binnen een periode van zevenendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis gedurende deze periode niet van toepassing.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, respectievelijk artikel 3.26juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, respectievelijk artikel 3.28juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van vijfendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 3.2, respectievelijk artikel 3.26juncto artikel 3.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998respectievelijk artikel 3.28juncto artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, geldt de voorlopige bestemming voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar.
4. In afwijking van artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningen artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998respectievelijk artikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningen artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998is de raad voor de duur van de in het tweede lid bedoelde termijn niet bevoegd de voor de exacte locaties van de windturbines in een inpassingsplan opgenomen bestemming en voorlopige bestemming te wijzigen.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid kan de raad van Delfzijl in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Oosterhorn voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en tweeëndertig jaar toekennen, mits de voorlopige bestemming wordt toegekend aan de concrete mastposities van de windturbines. De bestemming van deze gronden wordt binnen een periode van zevenendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis gedurende deze periode niet van toepassing.