BWBR0027929
Geldig vanaf 2021-12-01
Artikel 7aa
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
1. Dit artikel is tot de inwerkingtreding van de Omgevingswetvan toepassing binnen de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.
2. In aanvulling op artikel 2, zesde liden bijlage I bij de Regeling geurhinder en veehouderijkan het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen voor een huisvestingssysteem dat niet in bijlage 1 van deze regeling is opgenomen op aanvraag een bijzondere geuremissiefactor vaststellen die bij de berekening van het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van deze regeling wordt toegepast.
3. Het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen kan een bijzondere geuremissiefactor vaststellen indien naar zijn oordeel:
a. toepassing van het huisvestingssysteem voldoende bijdraagt aan de ontwikkeling van innovatieve stalsystemen voor de reductie van geur;
b. de verwachte emissie van het huisvestingssysteem minimaal 10% lager is dan de geuremissiefactor die is opgenomen voor overige huisvesting voor die diercategorie in bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij;
c. het huisvestingssysteem zich leent voor toepassing in de praktijk;
d. de controleerbaarheid van de werking van het huisvestingssysteem voldoende is gewaarborgd; en
e. voldoende is gewaarborgd dat de geuremissie overeenkomstig het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010 of een gelijkwaardige methode wordt gemeten en dat over de wijze van meten en de resultaten van de metingen aan hem wordt gerapporteerd.
4. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrechtwordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover deze plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechthet oprichten of wijzigen van een dierenverblijf met een huisvestingssysteem waarvoor een bijzondere geuremissiefactor als bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
5. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrechtkan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten als bedoeld in het vierde lid worden geweigerd in het belang van bescherming van de leefomgeving tegen geurhinder.
6. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrechtkunnen aan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving tegen geurhinder.
7. In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtwijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor;
b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd; of
c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.
Artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtis van overeenkomstige toepassing.
8. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor; of
b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
9. Indien toepassing wordt gegeven aan het achtste lid wordt het besluit bedoeld in tweede lid ingetrokken.
10. In aanvulling op artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrechtwordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtaangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in het vierde lid.
2. In aanvulling op artikel 2, zesde liden bijlage I bij de Regeling geurhinder en veehouderijkan het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen voor een huisvestingssysteem dat niet in bijlage 1 van deze regeling is opgenomen op aanvraag een bijzondere geuremissiefactor vaststellen die bij de berekening van het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van deze regeling wordt toegepast.
3. Het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen kan een bijzondere geuremissiefactor vaststellen indien naar zijn oordeel:
a. toepassing van het huisvestingssysteem voldoende bijdraagt aan de ontwikkeling van innovatieve stalsystemen voor de reductie van geur;
b. de verwachte emissie van het huisvestingssysteem minimaal 10% lager is dan de geuremissiefactor die is opgenomen voor overige huisvesting voor die diercategorie in bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij;
c. het huisvestingssysteem zich leent voor toepassing in de praktijk;
d. de controleerbaarheid van de werking van het huisvestingssysteem voldoende is gewaarborgd; en
e. voldoende is gewaarborgd dat de geuremissie overeenkomstig het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010 of een gelijkwaardige methode wordt gemeten en dat over de wijze van meten en de resultaten van de metingen aan hem wordt gerapporteerd.
4. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrechtwordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover deze plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechthet oprichten of wijzigen van een dierenverblijf met een huisvestingssysteem waarvoor een bijzondere geuremissiefactor als bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
5. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrechtkan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten als bedoeld in het vierde lid worden geweigerd in het belang van bescherming van de leefomgeving tegen geurhinder.
6. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrechtkunnen aan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving tegen geurhinder.
7. In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtwijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor;
b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd; of
c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.
Artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtis van overeenkomstige toepassing.
8. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtkan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wetof de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor; of
b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
9. Indien toepassing wordt gegeven aan het achtste lid wordt het besluit bedoeld in tweede lid ingetrokken.
10. In aanvulling op artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrechtwordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtaangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in het vierde lid.