BWBR0025627
Geldig vanaf 1999-10-01
Artikel 7
Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
1. De gegadigde die zich heeft aangemeld, zendt voor 23 juni aan de Minister:
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst of
b. een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift.
2. Indien krachtens artikel 7.25 van de wetnadere vooropleidingseisen zijn gesteld, zendt de gegadigde die zich heeft aangemeld, voor 15 mei aan de Minister een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij aan die eisen voldoet. Dit bewijsstuk bestaat uit:
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst waaruit blijkt dat hij aan deze eisen voldoet, of
b. een sufficiëntieverklaring.
3. Indien de gegadigde voor de in het eerste of tweede lid genoemde tijdstippen niet over de desbetreffende bewijsstukken beschikt, verklaart hij voor de in die leden genoemde tijdstippen schriftelijk aan de Minister om welke reden toezending van die bewijsstukken op een later tijdstip geschiedt. De gegadigde, bedoeld in het tweede lid, neemt tevens artikel 8in acht.
4. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in het eerste lid, aan de Minister:
a. voor 5 juli een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst behorend bij een in Nederland behaald diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs, tenzij de gegadigde deelneemt aan een staatsexamen of een verlaat examen;
b. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst in andere dan onder a bedoelde gevallen;
c. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift, indien hij aan een hogeschool deelneemt aan een propedeutisch of afsluitend examen als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet. In andere gevallen zendt de gegadigde, bedoeld in het eerste lid, die het derde lid heeft toegepast, een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift voor 1 augustus aan de Minister.
5. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in het tweede lid, aan de Minister de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid, voor 23 juni aan de Minister. Indien de gegadigde voor die datum niet in staat is deze bewijsstukken aan de Minister toe te zenden, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 8, tweede lid.
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst of
b. een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift.
2. Indien krachtens artikel 7.25 van de wetnadere vooropleidingseisen zijn gesteld, zendt de gegadigde die zich heeft aangemeld, voor 15 mei aan de Minister een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij aan die eisen voldoet. Dit bewijsstuk bestaat uit:
a. een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst waaruit blijkt dat hij aan deze eisen voldoet, of
b. een sufficiëntieverklaring.
3. Indien de gegadigde voor de in het eerste of tweede lid genoemde tijdstippen niet over de desbetreffende bewijsstukken beschikt, verklaart hij voor de in die leden genoemde tijdstippen schriftelijk aan de Minister om welke reden toezending van die bewijsstukken op een later tijdstip geschiedt. De gegadigde, bedoeld in het tweede lid, neemt tevens artikel 8in acht.
4. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in het eerste lid, aan de Minister:
a. voor 5 juli een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst behorend bij een in Nederland behaald diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs, tenzij de gegadigde deelneemt aan een staatsexamen of een verlaat examen;
b. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn cijferlijst in andere dan onder a bedoelde gevallen;
c. voor 1 september een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift, indien hij aan een hogeschool deelneemt aan een propedeutisch of afsluitend examen als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet. In andere gevallen zendt de gegadigde, bedoeld in het eerste lid, die het derde lid heeft toegepast, een gewaarmerkt afschrift van zijn getuigschrift voor 1 augustus aan de Minister.
5. Na toepassing van het derde lid zendt de gegadigde, bedoeld in het tweede lid, aan de Minister de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid, voor 23 juni aan de Minister. Indien de gegadigde voor die datum niet in staat is deze bewijsstukken aan de Minister toe te zenden, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 8, tweede lid.