BWBR0025627
Geldig vanaf 1999-10-01
Artikel 21
Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
1. De gegadigde die is ingeloot, ontvangt een op naam gesteld bewijs van toelating. Dit bewijs van toelating heeft betrekking op het studiejaar waarvoor de gegadigde zich heeft aangemeld, en op de opleiding waarvoor hij is ingeloot. Een bewijs van toelating wordt, behoudens artikel 25, niet later verstrekt dan 25 september.
2. In afwijking van het eerste lid, ontvangt de gegadigde die op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor een bewijs van toelating, maar die niet het bewijs heeft geleverd, bedoeld in artikel 7.28, tweede lid, voorlaatste volzin, van de wet, een voorlopig bewijs van toelating voor het studiejaar volgend op het studiejaar waarvoor hij zich heeft aangemeld. Dit voorlopige bewijs van toelating wordt omgezet in een bewijs van toelating, indien de gegadigde voor 15 augustus van het laatstgenoemde studiejaar het bewijs aan de Minister levert.
3. In bijzondere gevallen kan de Minister op het verzoek van een gegadigde bepalen dat in plaats van het bewijs van toelating of een voorlopig bewijs van toelating aan de gegadigde een voorlopig bewijs van toelating wordt verstrekt dat betrekking heeft op het studiejaar, volgend op het studiejaar waarvoor hij is ingeloot of waarvoor hem een voorlopig bewijs van toelating is verstrekt.
4. Aan een gegadigde die beschikt over een sufficiëntieverklaring voor een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wetgeldt, en die niet wordt ingeloot bij de universiteit die de desbetreffende verklaring heeft afgegeven, maar bij een andere universiteit, wordt een bewijs van toelating voor die andere universiteit slechts afgegeven, indien de gegadigde binnen twee weken een sufficiëntieverklaring van die andere universiteit kan overleggen. De gegadigde neemt daarbij tevens de termijnstelling van het eerste lid in acht, tenzij het bestuur van de desbetreffende universiteit goedvindt dat inschrijving plaatsvindt na 1 oktober.
5. De gegadigden die zijn uitgeloot, ontvangen daarvan een schriftelijke mededeling. Indien een loting als bedoeld in artikel 22plaatsvindt wordt daarvan tevens aan die gegadigden mededeling gedaan.
2. In afwijking van het eerste lid, ontvangt de gegadigde die op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor een bewijs van toelating, maar die niet het bewijs heeft geleverd, bedoeld in artikel 7.28, tweede lid, voorlaatste volzin, van de wet, een voorlopig bewijs van toelating voor het studiejaar volgend op het studiejaar waarvoor hij zich heeft aangemeld. Dit voorlopige bewijs van toelating wordt omgezet in een bewijs van toelating, indien de gegadigde voor 15 augustus van het laatstgenoemde studiejaar het bewijs aan de Minister levert.
3. In bijzondere gevallen kan de Minister op het verzoek van een gegadigde bepalen dat in plaats van het bewijs van toelating of een voorlopig bewijs van toelating aan de gegadigde een voorlopig bewijs van toelating wordt verstrekt dat betrekking heeft op het studiejaar, volgend op het studiejaar waarvoor hij is ingeloot of waarvoor hem een voorlopig bewijs van toelating is verstrekt.
4. Aan een gegadigde die beschikt over een sufficiëntieverklaring voor een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wetgeldt, en die niet wordt ingeloot bij de universiteit die de desbetreffende verklaring heeft afgegeven, maar bij een andere universiteit, wordt een bewijs van toelating voor die andere universiteit slechts afgegeven, indien de gegadigde binnen twee weken een sufficiëntieverklaring van die andere universiteit kan overleggen. De gegadigde neemt daarbij tevens de termijnstelling van het eerste lid in acht, tenzij het bestuur van de desbetreffende universiteit goedvindt dat inschrijving plaatsvindt na 1 oktober.
5. De gegadigden die zijn uitgeloot, ontvangen daarvan een schriftelijke mededeling. Indien een loting als bedoeld in artikel 22plaatsvindt wordt daarvan tevens aan die gegadigden mededeling gedaan.