BWBR0025627
Geldig vanaf 1999-10-01
Artikel 14
Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
1. Het aantal plaatsen voor gegadigden afkomstig van Curaçao, Sint Maarten, Aruba en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die door de minister kunnen worden aangewezen voor indeling in de lotingsklasse, genoemd in artikel 7.57b, tweede lid, onderdeel a, van de wet, bij inschrijving voor een fixusopleiding in het hoger beroepsonderwijs, bedraagt respectievelijk acht, drie, acht en vier. Daarbij wordt nagestreefd dat van de gegadigden tenminste respectievelijk drie, een, drie en twee van het vrouwelijk geslacht zijn.
2. Het aantal plaatsen voor gegadigden afkomstig van Curaçao, Sint Maarten, Aruba en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die door de minister kunnen worden aangewezen voor indeling in de lotingsklasse, genoemd in artikel 7.57b, tweede lid, onderdeel a, van de wet, bij inschrijving voor een fixusopleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedraagt respectievelijk acht, drie, acht en vier. Daarbij wordt nagestreefd dat van de gegadigden tenminste respectievelijk drie, een, drie en twee van het vrouwelijk geslacht zijn.
3. De gegadigden voor de plaatsen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de minister aangewezen.
4. De minister wijst de gegadigden, afkomstig van Curaçao, Sint Maarten, Aruba, aan op voordracht van de regeringen van Curaçao, Sint Maarten en Aruba. De voordracht aan de minister wordt gedaan vóór 5 juli.
2. Het aantal plaatsen voor gegadigden afkomstig van Curaçao, Sint Maarten, Aruba en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die door de minister kunnen worden aangewezen voor indeling in de lotingsklasse, genoemd in artikel 7.57b, tweede lid, onderdeel a, van de wet, bij inschrijving voor een fixusopleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedraagt respectievelijk acht, drie, acht en vier. Daarbij wordt nagestreefd dat van de gegadigden tenminste respectievelijk drie, een, drie en twee van het vrouwelijk geslacht zijn.
3. De gegadigden voor de plaatsen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de minister aangewezen.
4. De minister wijst de gegadigden, afkomstig van Curaçao, Sint Maarten, Aruba, aan op voordracht van de regeringen van Curaçao, Sint Maarten en Aruba. De voordracht aan de minister wordt gedaan vóór 5 juli.