BWBR0025627
Geldig vanaf 1999-10-01
Artikel 1
Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. instelling: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onder a, van de wet, met uitzondering van de Open Universiteit;
c. studiejaar: het tijdvak van 1 september tot en met 31 augustus van het volgende jaar;
d. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de wet;
e. fixusopleiding: een opleiding waarvoor krachtens artikel 7.53 of artikel 7.56 van de wet een toelatingsbeperking geldt;
f. gegadigde: degene die zich als student voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een bepaalde opleiding wil laten inschrijven;
g. selectieprocedure: de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid, onder a, van de wet;
h. lotingsprocedure: de lotingsprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid, onder b, van de wet;
i. decentrale selectie: decentrale selectie als bedoeld in artikel 7.57e van de wet;
j. bewijs van toelating: een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.57a, tweede lid, van de wet;
k. diploma: een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel een daarmee overeenkomend diploma, behaald in Suriname, Curaçao, Sint Maarten of Aruba;
l. getuigschrift: een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet;
m. cijferlijst: een cijferlijst, behorend bij een diploma;
n. sufficiëntieverklaring: een door het bestuur van een instelling krachtens artikel 7.25, vierde lid, of artikel 7.28, vierde lid, van de wet afgegeven verklaring, inhoudende dat de gegadigde voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, van de wet;
o. de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een diploma gelijkgesteld het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Tractatenblad 1957, nr. 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een getuigschrift gelijkgesteld:
a. het getuigschrift van een niet in artikel 7.24 van de wet bedoelde vooropleiding of een niet in artikel 7.28, eerste lid, van de wet bedoelde opleiding dat op grond van een voor Nederland in werking getreden internationale overeenkomst toegangsrecht tot het Nederlandse hoger onderwijs met zich meebrengt;
b. een verklaring van de Minister die krachtens machtiging door het bestuur van een instelling tot uitvoering van artikel 7.28, tweede lid, van de wet is afgegeven, inhoudende dat de gegadigde tot het Nederlandse hoger onderwijs kan worden toegelaten;
c. een gewaarmerkte verklaring van het bestuur van een instelling, inhoudende dat de gegadigde met toepassing van de artikelen 7.28, tweede lid, of 7.29, eerste, derde of vierde lid, van de wet, onverminderd artikel 7.28, vierde lid, van de wet, tot de opleiding van zijn keuze kan worden toegelaten.
4. De data in deze regeling vallen steeds in het studiejaar dat voorafgaat aan het studiejaar waarvoor inschrijving wordt beoogd, tenzij anders is bepaald en met dien verstande dat de data tussen 31 augustus en 2 oktober telkens vallen in het studiejaar waarvoor inschrijving wordt beoogd.
a. de wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. instelling: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onder a, van de wet, met uitzondering van de Open Universiteit;
c. studiejaar: het tijdvak van 1 september tot en met 31 augustus van het volgende jaar;
d. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de wet;
e. fixusopleiding: een opleiding waarvoor krachtens artikel 7.53 of artikel 7.56 van de wet een toelatingsbeperking geldt;
f. gegadigde: degene die zich als student voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een bepaalde opleiding wil laten inschrijven;
g. selectieprocedure: de selectieprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid, onder a, van de wet;
h. lotingsprocedure: de lotingsprocedure, bedoeld in artikel 7.57a, derde lid, onder b, van de wet;
i. decentrale selectie: decentrale selectie als bedoeld in artikel 7.57e van de wet;
j. bewijs van toelating: een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 7.57a, tweede lid, van de wet;
k. diploma: een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel een daarmee overeenkomend diploma, behaald in Suriname, Curaçao, Sint Maarten of Aruba;
l. getuigschrift: een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, van de wet;
m. cijferlijst: een cijferlijst, behorend bij een diploma;
n. sufficiëntieverklaring: een door het bestuur van een instelling krachtens artikel 7.25, vierde lid, of artikel 7.28, vierde lid, van de wet afgegeven verklaring, inhoudende dat de gegadigde voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, van de wet;
o. de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een diploma gelijkgesteld het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Tractatenblad 1957, nr. 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een getuigschrift gelijkgesteld:
a. het getuigschrift van een niet in artikel 7.24 van de wet bedoelde vooropleiding of een niet in artikel 7.28, eerste lid, van de wet bedoelde opleiding dat op grond van een voor Nederland in werking getreden internationale overeenkomst toegangsrecht tot het Nederlandse hoger onderwijs met zich meebrengt;
b. een verklaring van de Minister die krachtens machtiging door het bestuur van een instelling tot uitvoering van artikel 7.28, tweede lid, van de wet is afgegeven, inhoudende dat de gegadigde tot het Nederlandse hoger onderwijs kan worden toegelaten;
c. een gewaarmerkte verklaring van het bestuur van een instelling, inhoudende dat de gegadigde met toepassing van de artikelen 7.28, tweede lid, of 7.29, eerste, derde of vierde lid, van de wet, onverminderd artikel 7.28, vierde lid, van de wet, tot de opleiding van zijn keuze kan worden toegelaten.
4. De data in deze regeling vallen steeds in het studiejaar dat voorafgaat aan het studiejaar waarvoor inschrijving wordt beoogd, tenzij anders is bepaald en met dien verstande dat de data tussen 31 augustus en 2 oktober telkens vallen in het studiejaar waarvoor inschrijving wordt beoogd.