BWBR0025627
Geldig vanaf 1999-10-01
Artikel 18
Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het aantal vastgestelde plaatsen per opleiding verstaan het totaal van het op grond van de artikelen 7.53of 7.56 van de wetvastgestelde aantal plaatsen, verminderd met het aantal plaatsen dat voor het desbetreffend studiejaar wordt gebruikt:
a. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder a, een bewijs van toelating hebben ontvangen;
b. door gegadigden die door toepassing van artikel 31 een bewijs van toelating ontvangen;
c. door gegadigden die in het voorgaande jaar een plaats toegewezen hebben gekregen op grond van toepassing van artikel 7.57c, vierde lid, van de wet;
d. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder b, een bewijs van toelating hebben ontvangen;
e. door gegadigden die in het voorgaande jaar een voorlopig bewijs van toelating hebben ontvangen als bedoeld in artikel 21, tweede en derde lid;
2. Het aantal vastgestelde plaatsen wordt verdeeld over de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, van de wet, zodanig dat de quotiënten van het aantal plaatsen en het aantal gegadigden per lotingsklasse zich verhouden als bepaald in artikel 7.57c, derde lid, van de wet. Bij deze verdeling vindt afronding plaats naar de dichtstbijzijnde gehele getallen en bij een uitkomst van 0,5 wordt naar boven afgerond.
3. Indien een verschil ontstaat tussen het aantal vastgestelde plaatsen en het krachtens het derde lid berekende aantal plaatsen, wordt dit verschil verrekend met het aantal berekende plaatsen in lotingsklasse e.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wetgeldt, met dien verstande dat:
a. het eerste lid wordt toegepast op het aantal plaatsen dat voor deze opleiding aan de desbetreffende universiteiten gezamenlijk is bepaald en
b. op dat aantal plaatsen in mindering wordt gebracht de plaatsen die aan gegadigden worden toegewezen met toepassing van artikel 7.57d, derde lid, van de wet.
a. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder a, een bewijs van toelating hebben ontvangen;
b. door gegadigden die door toepassing van artikel 31 een bewijs van toelating ontvangen;
c. door gegadigden die in het voorgaande jaar een plaats toegewezen hebben gekregen op grond van toepassing van artikel 7.57c, vierde lid, van de wet;
d. door gegadigden die door toepassing van artikel 15, onder b, een bewijs van toelating hebben ontvangen;
e. door gegadigden die in het voorgaande jaar een voorlopig bewijs van toelating hebben ontvangen als bedoeld in artikel 21, tweede en derde lid;
2. Het aantal vastgestelde plaatsen wordt verdeeld over de lotingsklassen, bedoeld in artikel 7.57b, tweede lid, onder b tot en met e, van de wet, zodanig dat de quotiënten van het aantal plaatsen en het aantal gegadigden per lotingsklasse zich verhouden als bepaald in artikel 7.57c, derde lid, van de wet. Bij deze verdeling vindt afronding plaats naar de dichtstbijzijnde gehele getallen en bij een uitkomst van 0,5 wordt naar boven afgerond.
3. Indien een verschil ontstaat tussen het aantal vastgestelde plaatsen en het krachtens het derde lid berekende aantal plaatsen, wordt dit verschil verrekend met het aantal berekende plaatsen in lotingsklasse e.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een opleiding waarvoor artikel 7.57d van de wetgeldt, met dien verstande dat:
a. het eerste lid wordt toegepast op het aantal plaatsen dat voor deze opleiding aan de desbetreffende universiteiten gezamenlijk is bepaald en
b. op dat aantal plaatsen in mindering wordt gebracht de plaatsen die aan gegadigden worden toegewezen met toepassing van artikel 7.57d, derde lid, van de wet.