BWBR0024317
Geldig vanaf 2008-09-01
Artikel 21
Besluit medezeggenschap Defensie 2008
1. De leden van de medezeggenschapscommissie, de ambtelijk secretaris van die commissie, alsmede de overeenkomstig artikel 18geraadpleegde deskundigen zijn gehouden tot geheimhouding van alle vertrouwelijke informatie die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan het hoofd van de diensteenheid, dan wel de medezeggenschapscommissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de diensteenheid.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet tegenover hem die door een lid van de medezeggenschapscommissie wordt benaderd voor overleg, mits het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
4. Een weigering van de in het derde lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
5. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de diensteenheid.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de diensteenheid.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet tegenover hem die door een lid van de medezeggenschapscommissie wordt benaderd voor overleg, mits het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
4. Een weigering van de in het derde lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
5. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de diensteenheid.