BWBR0022128
Geldig vanaf 2008-12-05
Artikel 9
Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs
1. De Minister hanteert bij de beoordeling van de aanvraag tot subsidieverlening voor een programma, bedoeld in artikel 7, in ieder geval de volgende criteria:
a. de mate waarin de doelstellingen passen binnen het doel van deze regeling, genoemd in artikel 2, eerste lid, en binnen één van de thema’s en, in voorkomend geval, één van de categorieën, genoemd in het openstellingsbesluit;
b. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan één of meer thema’s en, in voorkomend geval categorieën, genoemd in het openstellingsbesluit, gemeten naar de beoogde resultaten voor en de betrokkenheid van doelgroepen en de maatschappelijke relevantie van de beoogde resultaten;
c. de meerwaarde voor het groene kennissysteem, gemeten naar de toegevoegde waarde van de activiteiten ten opzichte van eerdere projecten of programma’s, de betrokkenheid van studenten en docenten van groene opleidingen, de mate van samenwerking, de bijdrage aan vernieuwing van groene opleidingen en de bijdrage aan de ontwikkeling en gebruik van de landelijke infrastructuur;
d. de mate van co-financiering door partners van buiten de onderwijskolom;
e. de uitvoerbaarheid van de activiteiten;
f. de kwaliteit van de aanvraag, en
g. de verhouding van de factoren, genoemd in de onderdelen b en c, ten opzichte van de subsidiabele kosten.
2. De Minister kan voor de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, nadere beoordelingscriteria vaststellen in het openstellingsbesluit.
a. de mate waarin de doelstellingen passen binnen het doel van deze regeling, genoemd in artikel 2, eerste lid, en binnen één van de thema’s en, in voorkomend geval, één van de categorieën, genoemd in het openstellingsbesluit;
b. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan één of meer thema’s en, in voorkomend geval categorieën, genoemd in het openstellingsbesluit, gemeten naar de beoogde resultaten voor en de betrokkenheid van doelgroepen en de maatschappelijke relevantie van de beoogde resultaten;
c. de meerwaarde voor het groene kennissysteem, gemeten naar de toegevoegde waarde van de activiteiten ten opzichte van eerdere projecten of programma’s, de betrokkenheid van studenten en docenten van groene opleidingen, de mate van samenwerking, de bijdrage aan vernieuwing van groene opleidingen en de bijdrage aan de ontwikkeling en gebruik van de landelijke infrastructuur;
d. de mate van co-financiering door partners van buiten de onderwijskolom;
e. de uitvoerbaarheid van de activiteiten;
f. de kwaliteit van de aanvraag, en
g. de verhouding van de factoren, genoemd in de onderdelen b en c, ten opzichte van de subsidiabele kosten.
2. De Minister kan voor de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, nadere beoordelingscriteria vaststellen in het openstellingsbesluit.