BWBR0022128
Geldig vanaf 2008-12-05
Artikel 15
Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs
1. De Minister beslist, bij toepassing van artikel 12, eerste lid, nadat op grond van artikel 14ten aanzien van de aanvragen tot subsidieverlening voor programma’s is beslist, per programma over de aanvragen tot subsidieverlening voor programmaonderdelen, met inachtneming van de rangschikking, bedoeld in artikel 12.
2. Indien de Minister in het openstellingsbesluit een nadere verdeling van het budget, bedoeld in artikel 4, tweede lid, per hoofdthema heeft gemaakt, beslist hij, nadat op grond van artikel 14ten aanzien van de aanvragen tot subsidieverlening voor programma’s is beslist, per hoofdthema eerst over de aanvragen voor programmaonderdelen, waarvoor de rangschikking, bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet heeft plaatsgevonden, en vervolgens, in voorkomend geval, met inachtneming van die rangschikking, over de overige aanvragen.
3. De Minister verstrekt in ieder geval geen subsidie voor een programmaonderdeel, indien de Minister op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 10, oordeelt:
a. dat de kwaliteit van het uitvoeringsplan de uitvoering van dat programmaonderdeel niet toelaat, of
b. dat het programmaonderdeel niet voldoet aan in het openstellingsbesluit gestelde eisen.
4. De Minister verstrekt in ieder geval geen subsidie voor een programmaonderdeel, indien de Minister op basis van behaalde resultaten, op basis van het uitvoeringsplan, of op basis van een geactualiseerd uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 8a, derde lid, oordeelt dat de kwaliteit of de doelstellingen van het programma, waaronder het programmaonderdeel valt, de uitvoering van het programmaonderdeel niet toelaat.
2. Indien de Minister in het openstellingsbesluit een nadere verdeling van het budget, bedoeld in artikel 4, tweede lid, per hoofdthema heeft gemaakt, beslist hij, nadat op grond van artikel 14ten aanzien van de aanvragen tot subsidieverlening voor programma’s is beslist, per hoofdthema eerst over de aanvragen voor programmaonderdelen, waarvoor de rangschikking, bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet heeft plaatsgevonden, en vervolgens, in voorkomend geval, met inachtneming van die rangschikking, over de overige aanvragen.
3. De Minister verstrekt in ieder geval geen subsidie voor een programmaonderdeel, indien de Minister op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 10, oordeelt:
a. dat de kwaliteit van het uitvoeringsplan de uitvoering van dat programmaonderdeel niet toelaat, of
b. dat het programmaonderdeel niet voldoet aan in het openstellingsbesluit gestelde eisen.
4. De Minister verstrekt in ieder geval geen subsidie voor een programmaonderdeel, indien de Minister op basis van behaalde resultaten, op basis van het uitvoeringsplan, of op basis van een geactualiseerd uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 8a, derde lid, oordeelt dat de kwaliteit of de doelstellingen van het programma, waaronder het programmaonderdeel valt, de uitvoering van het programmaonderdeel niet toelaat.