BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 4:62
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Kortlopende vorderingen als bedoeld in artikel 4:60, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien aan de volgende voorwaarden in het kader van het risicobeheer is voldaan:
a. de financiële onderneming beschikt over een deugdelijke procedure voor de bepaling van het kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is, die in ieder geval analyses omvat van de bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de leningnemer en van de soorten cliënten waarmee de leningnemer zaken doet;
b. tussen de waarde van de vordering en de waarde van de kortlopende vorderingen wordt een marge aangehouden, die alle relevante factoren weerspiegelt, waaronder in ieder geval: 1°. de inningskosten;
2°. de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één enkele leningnemer in pand is gegeven; en
3°. het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de financiële onderneming, naast de risico’s die reeds in het kader van de algemene methodologie van de financiële onderneming worden gecontroleerd;
1°. de inningskosten;
2°. de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één enkele leningnemer in pand is gegeven; en
3°. het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de financiële onderneming, naast de risico’s die reeds in het kader van de algemene methodologie van de financiële onderneming worden gecontroleerd;
c. de financiële onderneming beschikt over een continue risicobewakingsproces, passend voor de kortlopende vorderingen;
d. de inachtneming van leningsovereenkomsten en andere wettelijke vereisten en beperkingen wordt regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen;
e. de door een leningnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn gediversifieerd en de waarde van de kortlopende vorderingen is niet in duidelijke mate afhankelijk van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer; en
f. de financiële onderneming beschikt over een schriftelijk vastgelegde procedure voor de inning van vorderingen in mogelijke probleemsituaties en treft op voorhand de benodigde voorzieningen voor deze inning, ook indien er geen redenen zijn om aan te nemen dat de financiële onderneming in plaats van de leningnemer tot inning zal overgaan.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onderwerpt de financiële onderneming de kredietpraktijken van de leningnemer aan een onderzoek om zich van de deugdelijkheid en aannemelijkheid ervan te vergewissen, indien zij vertrouwt op de leningnemer om het kredietrisico in te schatten dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt indien de waarde van de kortlopende vorderingen wél in duidelijke mate afhankelijk is van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer, bij de vaststelling van de marges voor de pool van zekerheden als geheel met de daarmee gepaard gaande risico’s rekening gehouden.
a. de financiële onderneming beschikt over een deugdelijke procedure voor de bepaling van het kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is, die in ieder geval analyses omvat van de bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de leningnemer en van de soorten cliënten waarmee de leningnemer zaken doet;
b. tussen de waarde van de vordering en de waarde van de kortlopende vorderingen wordt een marge aangehouden, die alle relevante factoren weerspiegelt, waaronder in ieder geval: 1°. de inningskosten;
2°. de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één enkele leningnemer in pand is gegeven; en
3°. het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de financiële onderneming, naast de risico’s die reeds in het kader van de algemene methodologie van de financiële onderneming worden gecontroleerd;
1°. de inningskosten;
2°. de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één enkele leningnemer in pand is gegeven; en
3°. het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de financiële onderneming, naast de risico’s die reeds in het kader van de algemene methodologie van de financiële onderneming worden gecontroleerd;
c. de financiële onderneming beschikt over een continue risicobewakingsproces, passend voor de kortlopende vorderingen;
d. de inachtneming van leningsovereenkomsten en andere wettelijke vereisten en beperkingen wordt regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen;
e. de door een leningnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn gediversifieerd en de waarde van de kortlopende vorderingen is niet in duidelijke mate afhankelijk van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer; en
f. de financiële onderneming beschikt over een schriftelijk vastgelegde procedure voor de inning van vorderingen in mogelijke probleemsituaties en treft op voorhand de benodigde voorzieningen voor deze inning, ook indien er geen redenen zijn om aan te nemen dat de financiële onderneming in plaats van de leningnemer tot inning zal overgaan.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onderwerpt de financiële onderneming de kredietpraktijken van de leningnemer aan een onderzoek om zich van de deugdelijkheid en aannemelijkheid ervan te vergewissen, indien zij vertrouwt op de leningnemer om het kredietrisico in te schatten dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt indien de waarde van de kortlopende vorderingen wél in duidelijke mate afhankelijk is van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer, bij de vaststelling van de marges voor de pool van zekerheden als geheel met de daarmee gepaard gaande risico’s rekening gehouden.
- Citeren als
- Art. 4:62
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl