BWBR0019507
Geldig vanaf 2007-05-05
Artikel 3.1.5
Regeling uniforme saneringen
1. In stedelijke gebieden, waarvoor geen gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld, is de saneringsaanpak bedoeld in het tweede lid toegestaan voorzover sprake is van een dunne verontreinigde toplaag met een dikte van ten hoogste 50 centimeter, waarvan de onderliggende bodem een kwaliteit heeft van ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarde.
2. De saneringsaanpak bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit, in combinatie met het aanbrengen van een laag aanvulgrond, bestaat uit:
a. het ontgraven van de verontreinigde toplaag tot ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarden;
b. het aanbrengen van een laag aanvulgrond met ten minste een dikte van 50 centimeter, van een op de bodemfunctieklasse afgestemde kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7, en
c. het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond.
2. De saneringsaanpak bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het besluit, in combinatie met het aanbrengen van een laag aanvulgrond, bestaat uit:
a. het ontgraven van de verontreinigde toplaag tot ten hoogste de helft van de naar grondsoort gecorrigeerde interventiewaarden;
b. het aanbrengen van een laag aanvulgrond met ten minste een dikte van 50 centimeter, van een op de bodemfunctieklasse afgestemde kwaliteit van ten hoogste het concentratieniveau voor stoffen bedoeld in artikel 3.1.7, en
c. het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond.