BWBR0019507
Geldig vanaf 2007-05-05
Artikel 3.2.4
Regeling uniforme saneringen
1. De verontreinigde grond van de saneringslocatie, bedoeld in artikel 3.2.2, wordt ontgraven tot een niveau waarop de ontgraving geurvrij is en tot minimaal de naar grondsoort gecorrigeerde concentraties:
a. 0,1 maal de interventiewaarden van de somparameter voor naftaleen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, chryseen, benzoantraceen, benzopyreen, benzofluorantheen, indenopyreen en benzoperyleen en de natuurlijke achtergrondwaarde voor aromatische stoffen;
b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen voor metalen, overige anorganische stoffen en minerale olie, of de voor deze stoffen vastgestelde lokale maximale waarden.
2. De grondwaterverontreiniging van de saneringslocatie, bedoeld in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.3, wordt voor alle aanwezige verontreinigende stoffen gesaneerd tot een niveau gelijk aan of lager dan de interventiewaarde.
a. 0,1 maal de interventiewaarden van de somparameter voor naftaleen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, chryseen, benzoantraceen, benzopyreen, benzofluorantheen, indenopyreen en benzoperyleen en de natuurlijke achtergrondwaarde voor aromatische stoffen;
b. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen voor metalen, overige anorganische stoffen en minerale olie, of de voor deze stoffen vastgestelde lokale maximale waarden.
2. De grondwaterverontreiniging van de saneringslocatie, bedoeld in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.3, wordt voor alle aanwezige verontreinigende stoffen gesaneerd tot een niveau gelijk aan of lager dan de interventiewaarde.