BWBR0019277
Geldig vanaf 2006-01-13
Artikel 28
Diergeneesmiddelenregeling
1. Als substanties als bedoeld in artikel 5 van de wetworden aangewezen:
a. substanties die niet zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EEG) nr. 2377/90 of, indien en voor zover de in artikel 27, eerste lid, van verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening in werking is getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 niet langer van toepassing zijn, substanties die niet in een lijst zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel a, b of c, van verordening (EG) nr. 470/2009;
b. somatropines;
c. entstoffen voor honden en katten die een niet-geïnactiveerd hondsdolheidvirus bevatten;
d. de stoffen bedoeld in artikel 2 van Richtlijn nr. 96/22/EG, tenzij toediening van deze stoffen is toegestaan op grond van artikel 4, onderdeel 2, van Richtlijn nr. 96/22/EG;
e. substanties die ingevolge artikel 46 van het besluit niet aan landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren mogen worden toegediend;
f. substanties die specifiek bestemd zijn om te worden toegepast bij paardachtigen die niet voedselproducerend zijn, wanneer reeds een registratie is verleend voor een ander diergeneesmiddel dat tevens is bestemd om eenzelfde aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel pijn, verwonding of gebrek bij voedselproducerende paarden te genezen, lenigen of voorkomen.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft uitsluitend betrekking op de in dat onderdeel bedoelde substanties, voor zoverhet desbetreffende diergeneesmiddel is bestemd of mede is bestemd om bij voedselproducerende dieren te worden toegepast.
a. substanties die niet zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EEG) nr. 2377/90 of, indien en voor zover de in artikel 27, eerste lid, van verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening in werking is getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 niet langer van toepassing zijn, substanties die niet in een lijst zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel a, b of c, van verordening (EG) nr. 470/2009;
b. somatropines;
c. entstoffen voor honden en katten die een niet-geïnactiveerd hondsdolheidvirus bevatten;
d. de stoffen bedoeld in artikel 2 van Richtlijn nr. 96/22/EG, tenzij toediening van deze stoffen is toegestaan op grond van artikel 4, onderdeel 2, van Richtlijn nr. 96/22/EG;
e. substanties die ingevolge artikel 46 van het besluit niet aan landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren mogen worden toegediend;
f. substanties die specifiek bestemd zijn om te worden toegepast bij paardachtigen die niet voedselproducerend zijn, wanneer reeds een registratie is verleend voor een ander diergeneesmiddel dat tevens is bestemd om eenzelfde aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel pijn, verwonding of gebrek bij voedselproducerende paarden te genezen, lenigen of voorkomen.
2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft uitsluitend betrekking op de in dat onderdeel bedoelde substanties, voor zoverhet desbetreffende diergeneesmiddel is bestemd of mede is bestemd om bij voedselproducerende dieren te worden toegepast.