BWBR0017259
Geldig vanaf 2010-06-11
Artikel 113
Regeling diervoeders
1. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk III van de wetover een door het Productschap Diervoeder verleende toestemming beschikt om een toevoegingsmiddel, met uitzondering van antibiotica, of een vervangende voederproteïne dat onderscheidenlijk die niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten, alsmede voormengsels en diervoeders met dat toevoegingsmiddel of die voederproteïne te bereiden, verpakken, etiketteren, vervoeren, vervoederen, in het verkeer te brengen en voorhanden of in voorraad te hebben, wordt gedurende de eerste 12 maanden na de inwerkingtreding van hoofdstuk III van de wet, dan wel gedurende de periode die aan voorbedoelde toestemming is verbonden indien deze eerder dan 12 maanden na de inwerkingtreding van hoofdstuk III van de weteindigt, geacht voor de daarin genoemde activiteiten in het bezit te zijn van een toestemming als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.
2. Zij die binnen de in het eerste lid gestelde termijn een aanvraag tot toestemming hebben ingediend op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 10, paragraaf 4, worden geacht ook na het verstrijken van de aldaar genoemde termijn in het bezit van de toestemming te zijn, totdat de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.
2. Zij die binnen de in het eerste lid gestelde termijn een aanvraag tot toestemming hebben ingediend op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 10, paragraaf 4, worden geacht ook na het verstrijken van de aldaar genoemde termijn in het bezit van de toestemming te zijn, totdat de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.