BWBR0016221
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 22
Regeling bekostiging financieel toezicht
1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, bestaat uit een jaarlijks voor 15 juli door de minister, op voorstel van de toezichthoudende autoriteit, per categorie of subcategorie vast te stellen minimumbedrag, vermeerderd met een bedrag dat:
a. wordt gebaseerd op de kosten die per categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 11, tweede tot en met zesde lid, onder aftrek van het totaal van het aan de desbetreffende categorie of subcategorie in rekening te brengen minimumbedragen, en
b. is doorberekend naar rato van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 14, tweede lid, 17, tweede lid, of 19, tweede lid, gerelateerd aan de gegevens met betrekking tot de desbetreffende maatstaf van het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het lopende jaar of het tweede voorafgaande jaar.
2. Voor de categorieën of subcategorieën van instellingen, waarvoor niet in artikel 14, eerste lid, 17, eerste lid, of 19, eerste lid, een maatstaf is bepaald, stelt de minister op voorstel van de toezichthoudende autoriteit jaarlijks voor 15 juli de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, vast. De toezichthoudende autoriteit baseert haar voorstel aan de minister op de kosten die aan de desbetreffende categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 11, tweede tot en met zesde lid.
3. Het bedrag, bepaald op basis van het eerste of tweede lid, voor een onder toezicht staande instelling die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie of subcategorie valt, wordt in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de onder toezicht staande instelling onder de categorie of subcategorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.
a. wordt gebaseerd op de kosten die per categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 11, tweede tot en met zesde lid, onder aftrek van het totaal van het aan de desbetreffende categorie of subcategorie in rekening te brengen minimumbedragen, en
b. is doorberekend naar rato van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 14, tweede lid, 17, tweede lid, of 19, tweede lid, gerelateerd aan de gegevens met betrekking tot de desbetreffende maatstaf van het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het lopende jaar of het tweede voorafgaande jaar.
2. Voor de categorieën of subcategorieën van instellingen, waarvoor niet in artikel 14, eerste lid, 17, eerste lid, of 19, eerste lid, een maatstaf is bepaald, stelt de minister op voorstel van de toezichthoudende autoriteit jaarlijks voor 15 juli de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, vast. De toezichthoudende autoriteit baseert haar voorstel aan de minister op de kosten die aan de desbetreffende categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 11, tweede tot en met zesde lid.
3. Het bedrag, bepaald op basis van het eerste of tweede lid, voor een onder toezicht staande instelling die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie of subcategorie valt, wordt in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de onder toezicht staande instelling onder de categorie of subcategorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.