BWBR0015007
Geldig vanaf 2019-06-16
Artikel 87
Spoorwegwet
1. Overtreding van artikel 4, vierde lid, en artikel 22, eerste lid, onderdelen c en d, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de artikelen 3en 22, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede overtreding van de krachtens hoofdstuk 6, paragraaf 9, vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 88, derde lid, artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens artikel 77, eerste lid, aangemerkt.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
2. Overtreding van de artikelen 3en 22, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede overtreding van de krachtens hoofdstuk 6, paragraaf 9, vastgestelde voorschriften, voor zover die overtreding daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
3. Overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 88, derde lid, artikel 89, tweede, zesde, achtste en negende lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
4. Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
5. Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens artikel 77, eerste lid, aangemerkt.
6. De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.