BWBR0014608
Geldig vanaf 2003-07-10
Artikel 10
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
2. Het Subsidieprogramma demonstratieprojecten mobiele bronnen 2003 heeft tot doel:
a. het stimuleren van op vermindering van milieubelasting gerichte innovaties aan mobiele bronnen in Nederland, en
b. het vervangen van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het project betrekking heeft op:
a. bromfietsen die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd wordt door een batterij of een brandstofcel;
b. personenauto's, bestelwagens, stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars, speciale voertuigen of bijzondere voertuigen, die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd wordt door een batterij of een brandstofcel;
c. personenauto's of bestelwagens, die beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd;
d. personenauto's die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º die blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º die blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
e. personenauto's of bestelwagens, die: 1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas, voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas, voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
f. personenauto's of bestelwagens, die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
g. bestelwagens die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
h. stads- en streekbussen die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor;
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
3º ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden, en
4º een lengte hebben van ten hoogste twaalf meter en waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor;
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
3º ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden, en
4º een lengte hebben van ten hoogste twaalf meter en waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW;
i. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
j. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
k. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
l. vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een vrachtwagen, toeringcar of bijzonder voertuig met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een vrachtwagen, toeringcar of bijzonder voertuig met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
m. ten minste 25 vrachtwagens die: 1º in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1992 tot en met 31 december 2001, en
2º zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1992 tot en met 31 december 2001, en
2º zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
n. bijzondere voertuigen die beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste zestien kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd;
o. bijzondere voertuigen die: 1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of LPG te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas of LPG voldoen aan eisen voor het jaar 2005, zoals voor voertuigen met een maximaal toegestane massa van minder dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 5.3.1.4 van bijlage I van de in onderdeel e, onder 2°, genoemde richtlijn en voor voertuigen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of LPG te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas of LPG voldoen aan eisen voor het jaar 2005, zoals voor voertuigen met een maximaal toegestane massa van minder dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 5.3.1.4 van bijlage I van de in onderdeel e, onder 2°, genoemde richtlijn en voor voertuigen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
p. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem ter beperking van de uitstoot van stikstofoxiden, waardoor het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd voor het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met dezelfde motor of motoren zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
q. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij onder dezelfde omstandigheden 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
r. vaartuigen met één of meer aardgasmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig;
s. vaartuigen met één of meer dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig;
t. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem ter beperking van de uitstoot van deeltjes, waardoor de uitstoot van deeltjes in de uitlaatgassen, onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met dezelfde motor of motoren zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden.
4. Verbruik en emissie worden:
a. bij personenauto's en bestelwagens vergeleken op basis van lengte maal breedte, en
b. bij andere dan de in onderdeel a bedoelde wegvoertuigen en vaartuigen vergeleken op basis van een gelijke vervoersprestatie.
5. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject, in welk kader één of meer prototypen in de praktijk beproefd worden, een demonstratieproject, een marktintroductieproject of een toepassingsproject betreft:
a. waarbij ten minste het in de onderstaande tabel voor de desbetreffende categorie van projecten en voertuigen aangegeven aantal voertuigen is betrokken, en
b. waarvan de subsidiabele kosten ten minste het in de onderstaande tabel voor de desbetreffende categorie van projecten en voertuigen aangegeven bedrag bedragen.
[tabel]
6. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het derde lid, onderdeel e, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en onderdeel o, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
7. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het derde lid, onderdeel h, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en de onderdelen i, onder 2°, j, onder 2°, l, onder 2°, m, onder 2°, en o, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
8. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten, tevens betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van innovatieve technieken in mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden bevordert, en
c. de mate waarin het project vervanging van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten, bevordert.
9. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, kunnen de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
10. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
11. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2003 bedraagt € 3.000.000,-.
12. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
13. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op wegvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen, dan wel, ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft, de eerste helft van de voertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen.
14. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of van technieken die bestemd zijn voor de toepassing op mobiele bronnen.
15. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Novem, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 juli 2003.
2. Het Subsidieprogramma demonstratieprojecten mobiele bronnen 2003 heeft tot doel:
a. het stimuleren van op vermindering van milieubelasting gerichte innovaties aan mobiele bronnen in Nederland, en
b. het vervangen van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het project betrekking heeft op:
a. bromfietsen die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd wordt door een batterij of een brandstofcel;
b. personenauto's, bestelwagens, stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars, speciale voertuigen of bijzondere voertuigen, die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend geleverd wordt door een batterij of een brandstofcel;
c. personenauto's of bestelwagens, die beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd;
d. personenauto's die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º die blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º die blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
e. personenauto's of bestelwagens, die: 1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas, voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas, voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
f. personenauto's of bestelwagens, die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
g. bestelwagens die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
h. stads- en streekbussen die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor;
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
3º ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden, en
4º een lengte hebben van ten hoogste twaalf meter en waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor;
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG) lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36);
3º ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden, en
4º een lengte hebben van ten hoogste twaalf meter en waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW;
i. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
j. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
k. stads- en streekbussen, vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
l. vrachtwagens, touringcars of speciale voertuigen, die: 1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een vrachtwagen, toeringcar of bijzonder voertuig met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie niet hoger is dan de emissie van een vrachtwagen, toeringcar of bijzonder voertuig met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
m. ten minste 25 vrachtwagens die: 1º in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1992 tot en met 31 december 2001, en
2º zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1992 tot en met 31 december 2001, en
2º zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
n. bijzondere voertuigen die beschikken over een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste zestien kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd;
o. bijzondere voertuigen die: 1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of LPG te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas of LPG voldoen aan eisen voor het jaar 2005, zoals voor voertuigen met een maximaal toegestane massa van minder dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 5.3.1.4 van bijlage I van de in onderdeel e, onder 2°, genoemde richtlijn en voor voertuigen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of LPG te rijden, en
2º indien zij rijden op aardgas of LPG voldoen aan eisen voor het jaar 2005, zoals voor voertuigen met een maximaal toegestane massa van minder dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 5.3.1.4 van bijlage I van de in onderdeel e, onder 2°, genoemde richtlijn en voor voertuigen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel h, onder 2°, genoemde richtlijn;
p. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem ter beperking van de uitstoot van stikstofoxiden, waardoor het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd voor het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met dezelfde motor of motoren zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
q. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij onder dezelfde omstandigheden 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
r. vaartuigen met één of meer aardgasmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig;
s. vaartuigen met één of meer dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig;
t. vaartuigen met één of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem ter beperking van de uitstoot van deeltjes, waardoor de uitstoot van deeltjes in de uitlaatgassen, onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met dezelfde motor of motoren zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden.
4. Verbruik en emissie worden:
a. bij personenauto's en bestelwagens vergeleken op basis van lengte maal breedte, en
b. bij andere dan de in onderdeel a bedoelde wegvoertuigen en vaartuigen vergeleken op basis van een gelijke vervoersprestatie.
5. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject, in welk kader één of meer prototypen in de praktijk beproefd worden, een demonstratieproject, een marktintroductieproject of een toepassingsproject betreft:
a. waarbij ten minste het in de onderstaande tabel voor de desbetreffende categorie van projecten en voertuigen aangegeven aantal voertuigen is betrokken, en
b. waarvan de subsidiabele kosten ten minste het in de onderstaande tabel voor de desbetreffende categorie van projecten en voertuigen aangegeven bedrag bedragen.
[tabel]
6. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het derde lid, onderdeel e, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en onderdeel o, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
7. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het derde lid, onderdeel h, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en de onderdelen i, onder 2°, j, onder 2°, l, onder 2°, m, onder 2°, en o, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
8. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten, tevens betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van innovatieve technieken in mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden bevordert, en
c. de mate waarin het project vervanging van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten, bevordert.
9. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, kunnen de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
10. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
11. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2003 bedraagt € 3.000.000,-.
12. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
13. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op wegvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen, dan wel, ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft, de eerste helft van de voertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen.
14. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of van technieken die bestemd zijn voor de toepassing op mobiele bronnen.
15. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Novem, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 juli 2003.