BWBR0013796
Geldig vanaf 01-07-2002
Artikel 37
Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
1. Nadat een verklaring overeenkomstig artikel 36 is afgelegd, kan de officier van justitie beslissen dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen. In dat geval doet de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 21.
3. Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste of tweede lid, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien blijkt dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is of dat tegen hem door een Nederlandse rechter een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen. In dat geval doet de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 21.
3. Van elke beslissing, genomen krachtens het eerste of tweede lid, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.
- Citeren als
- Art. 37
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013796
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl